Mevrouw De Bree zet de televisie uit. Ze kust haar man goedenacht, houdt hem heel even in haar handen en veegt dan met haar mouw het stof van de lijst. Een foto in zwart-wit, een ander leven haast. Een lach die sterker is dan de tijd. Op televisie had ze Henny Huisman gezien, een paar minuten maar. Haar dochter had het goed gezegd, net aan de telefoon: hij begint steeds meer op Patty Brard te lijken. Ze hadden maar kort gebeld, er was iets met een deadline. Of stond er iets in de oven? Maandag belt ze weer, dat beloofde ze.

Het zijn avonden als deze waarop zijn afwezigheid tastbaar is. Zijn stem, zijn geur, zijn sigaren. Op zijn lege stoel ligt alleen een kleedje; de krant heeft ze vorige maand opgezegd. ‘Wat is de reden van opzegging?’ had de vriendelijke juffrouw aan de telefoon gevraagd. Mevrouw De Bree had even geen antwoord, ze slikte. ‘Niemand leest ‘m meer,’ bracht ze zachtjes uit. ‘Mag ik u dan op ons voordelige weekendabonnement wijzen?’

Langzaam sloft ze naar de badkamer, waar de kraan drupt. Vanochtend niet goed dichtgedraaid, daar moet ze beter op letten. De zon is nog nauwelijks onder; een avondmens is ze nooit geweest. Hij wel. Op dit soort avonden keek hij graag nog even tv. Voetbal, journaal, een Britse detective. Zij dutte steevast in zodra ze haar kop thee op had. Af en toe schoot ze wakker, van een doelpunt of een moordpartij. ‘Ik maak het niet laat, hoor’, zei hij dan. Alsof ze het zou hebben gemerkt.

Nu is mevrouw De Bree klaarwakker, maar ze moet toch liggen. Ze poetst haar tanden, elektrisch, verbaast zich erover hoelang de tandpasta meegaat. Naar de slaapkamer neemt ze een glas water mee, dat ze naast het bed zet. Ze trekt het gordijn dicht, pakt haar boek en kruipt in het koude, veel te grote bed.

Mevrouw De Bree knoopt haar jas dicht. Ze kan het zelf, al duurt het lang. Haar kleinzoon komt haar halen, ze gaan naar een museum. De naam is ze vergeten. Zo meteen zal ze vragen of hij koffie wil. Hij zal vriendelijk bedanken en zeggen dat ze op moeten schieten.

De spits is net voorbij wanneer ze door Wassenaar rijden. Grote huizen, smalle weggetjes. Veel bomen. De kleinzoon moppert over drempels en tegenliggers. Hij zegt dat het maar een klein stukje lopen is van de parkeerplaats naar het museum. Mevrouw De Bree moet vier keer stoppen. Bankjes staan er niet.

Ze beginnen in een glazen zaal die is gevuld met blauwe ballonnen. Ondersteund door de kleinzoon wurmt ze zich naar de volgende deur. Ze haakt haar arm in die van hem. Zo hield zij Evert vast. Zo hield Evert haar vast. Op de zaterdagse markt, naar de zondagse dienst. Nooit naar een museum. Wat had hij dit een aanstellerij gevonden. Wat had zij graag nog één keer zijn norse blik gezien.

Een kop koffie in de salon. Te zoet, veel te zoet. Had ze er al suiker in gedaan? Ze bekijkt ook hier de kunst aan de muur. Tekeningen in zwart-wit. Een rotseiland in zee, een brede kabelbrug. Een grote stad ergens ver weg, een stad waar je heel Nederland in kwijt kan. Ze moet er niet aan denken.

De kleinzoon vraagt voor de derde keer of ze het leuk vond. Op de radio vergelijkt iemand Coldplay met The Beatles. Vanuit de donkerrode Alfa Romeo ziet ze de bomen, de enorme huizen, de twee flitspalen kort na elkaar. De kleinzoon blijft op de linkerbaan. Zo meteen zal ze vragen of hij nog een bakkie wil. Hij zal vriendelijk bedanken en zeggen dat hij op moet schieten.

Mevrouw De Bree maakt haar veters vast. Het regent niet meer. Ze heeft haar dochter beloofd om elke dag even naar buiten te gaan. Meestal wandelt ze naar het winkelcentrum. Bij de bakker koopt ze broden waarvan ze maar de helft opeet. De vriezer raakt vol.

Op de radio hoorde ze over gladheid, maar hier valt het gelukkig mee. Ze hoorde de buurman vanmorgen krabben. Iedere morgen om kwart voor zeven ziet ze zijn remlichten op haar slaapkamermuur. Behalve op vrijdag. Misschien werkt hij thuis.

‘Goedemorgen,’ zegt ze tegen een man met honden. Hij zegt niets terug, of in elk geval niet hard genoeg. Het is de man van de overkant, die met twee zoons en drie labradors. Een vrouw heeft ze er nog nooit gezien. Van de zomer heeft hij het huis verbouwd: twee dakkapellen en een uitbouw naar de tuin. De container heeft nog weken voor de deur gestaan. Daar mocht ze van haar dochter niets van zeggen.

Ze moet altijd zo lachen om De rijdende rechter. Die nieuwe vindt ze ook goed, al is het wel een dandy. Een dandy met zelfspot, had haar kleinzoon gezegd. Daar was ze het mee eens. Naar meester Frank Visser kijkt ze niet meer. De reclameblokken duren haar te lang, dan weet ze niet meer waar ze naar kijkt. ‘Niet zoals die mensen worden, mam,’ zegt haar dochter dan, als de pleuris weer eens uitbreekt over de erfgrens of het recht van overpad. Ze kijkt wel uit. ‘Leven en laten leven,’ zei Evert altijd. Een lievere man heeft nooit bestaan.

Bij de Dirk neemt ze koffie mee, bij de bakker een heel volkoren. Aan halve broden doet ze niet, dat vindt ze onzin. ‘Ik koop toch ook geen halve aardappelen,’ zegt ze soms tegen haar dochter. Die schudt dan haar hoofd, zegt niet meer dat dat iets heel anders is. Ze neemt ook een klein zakje kruidnoten mee. Morgen is het zaterdag, dan komt haar kleinzoon misschien op de koffie. Op haar dochter rekent ze niet. Toen Evert net was overleden, kwam ze elke dag. Maar het leven gaat door, weet ook Mevrouw De Bree. En ze belt best vaak.

Het begint te druppelen wanneer mevrouw De Bree haar huissleutel pakt. ‘En, nog even buiten geweest?’ zal haar dochter vanavond vragen. Nu hoeft ze er niet omheen te draaien. Ze legt haar sleutels op het vaste plekje onder de kapstok, naast de foto van haar dochter en kleinzoon. Ze smeert een boterham en legt de rest van het brood in de vriezer. Het zijn kruidnoten met truffel, ziet ze nu. Hopelijk vindt haar kleinzoon dat lekker.

Mevrouw De Bree neemt de telefoon op. De stem van de doktersassistente. Een televisie op mute toont samenvattingen van de Olympische Winterspelen. Er is rodelen, al kan het ook bobsleeën zijn. De dochter vult glazen bakjes met kaasvlinders. Straks komt de kleinzoon met zijn vriendin. Misschien nog wat buren. Naast de telefoon staat een verjaardagskaart van een nicht uit Duitsland. Een paar jaar geleden is ze gestopt de leeftijd erbij te schrijven.

Wie was dat?’ vraagt de dochter. ‘O, tante Ria. Je krijgt de groeten.’ Als het ernstig was geweest, had de assistente het vast niet telefonisch afgedaan. Op het televisiescherm ziet ze een juichende Willem-Alexander. ‘De koning juicht voor de keizer’ valt te lezen in de tekstbalk.

‘Wil je dat ik alvast de worst snijd,’ vraagt de dochter. Ze begint zonder op antwoord te wachten. Het is droge worst uit Frankrijk die ze zelf heeft meegenomen. Met een velletje en witte uitslag. ‘Veel lekkerder, mam, dan die eeuwige leverworst.’ De bel gaat, de dochter doet open.

Buurman Peters. Hij vat de gebeurtenissen op de 10 kilometer schaatsen samen, of welke afstand er dan ook is verreden. Zo meteen zal hij haar een boeket met Albert Heijn-logo overhandigen en haar drie keer op de wang zoenen. Hij zal vragen of ze nu 38 of 39 wordt en hard lachen. Ze zal zijn onbestemde lichaamsgeur ruiken, iets wat in de verte doet denken aan nootmuskaat.

Nu hoort ze ook de buurvrouw van de overkant, mevrouw Kowalska. Haar naam is het enige wat herinnert aan Polen. Ooit was haar zilverkleurige haar helblond, vertelt ze vaak – en niet zonder trots. Meneer Peters vraagt of ‘jullie’ al medailles hebben gehaald. Zijn lach weerklinkt in het trappenhuis.

Mevrouw De Bree ziet het allemaal al voor zich. Straks zal haar dochter de buurman een jonge borrel inschenken. De buurvrouw zal het bij Spa rood houden. Eén glas, anders moet ze er weer uit vannacht. De buurman zal informeren waarom er geen 89 kaarsjes op de taart staan. En lachen.

Haar kleinzoon zal niet zo lang blijven, nog iets moeten afmaken voor zijn werk. Zijn vriendin zal zeggen dat hij het zo goed doet op de zaak.

Als iedereen weg is, zal Mevrouw De Bree in haar stoel zakken met een kop groene thee. Ze zal kijken naar live-uitzendingen van de Olympische Spelen, ontdekken dat ze naar skeleton zit te kijken en zich afvragen of dit haar laatste Spelen zullen zijn. En hoe erg ze het zou vinden als het antwoord ‘ja’ zou zijn. Ze zal haar thee opdrinken en naar bed gaan.

Mevrouw De Bree legt haar boek weg. Straks komt haar dochter haar halen. Ze zit nog even op het balkon. Het bibliotheekboek met grote letters ligt opengeklapt op het tafeltje. Op de rug zit een sticker met de kantelen van een kasteel. Al een paar keer heeft ze gezegd dat ze die boeken niets vindt. Maar volgens haar dochter zijn het de enige met grote letters. Ik kan ook níets meenemen, had ze eraan toegevoegd. Nu is mevrouw De Bree het toch maar gaan lezen.

Ze hoort de buurman in de tuin bezig. Hij sjouwt grote zakken tuinaarde van de ene naar de andere kant. Hij gaat te veel door zijn rug. Vroeger had ze hem gewaarschuwd. ‘Aan je rug denken, Van Zijl! Buigen die knieën.’ Van haar kleinzoon mag dat niet meer. Mensen zijn eigenwijs, vinden je al snel een bemoeial. Dat woord had hij gebruikt. U wilt toch niet dat ze u een bemoeial vinden, oma? Ze had geen antwoord gegeven. Ik wil niet dat ze hun rug verknoeien, had ze gedacht.

Mevrouw De Bree schrikt op. Ze loopt naar het raam, ziet een blauwe auto. Welk merk had haar dochter ook alweer? De overbuurman stapt uit, steekt zijn hand op. Ze zwaait kort. Binnenkort moet hij de heg maar weer eens knippen. Dat heeft hij twee keer voor haar gedaan sinds Evert er niet meer is. Je mag oud zijn en alleen, maar je voortuin moet er netjes bij staan. Morgen is het zaterdag, dan neemt ze het naambordje af met een natte doek. Het groene houten bordje, de blinkend witte schrijfletters. Haar naam, zijn naam, erachter een hart.

Een grijze auto rijdt de straat in. Haar dochter stapt uit. ‘Heb je alles ingepakt, ma?’ Mevrouw De Bree zwijgt. Ze denkt aan het verkreukelde geeltje op de eettafel. 11 mei, had haar kleinzoon erop geschreven, met een cirkel eromheen. Haar dochter had ‘m uit de vuilnisbak gevist, er zaten aardbeienvlekjes op. Is dat vandaag? ‘Niets ingepakt, dat dacht ik al.’ De dochter zucht. ‘Ik help je wel, ma. Eerst koffie.’ Ze rommelt wat in de kastjes, zegt dat mevrouw maar moet gaan zitten.

Twee dampende koppen koffie op het glazen salontafeltje. ‘Ga je het missen hier, ma?’ Mevrouw De Bree reageert niet. 11 mei. Ze had het grote kleed nog willen uitkloppen, de vloer in de boen willen zetten. Het boek dat ze niet wilde hebben uit willen lezen.

Arm in arm lopen ze naar de grijze auto. Het is een Kia. De dochter zet een blauwe tas achterin met het logo van de Postbank. Mevrouw De Bree bekijkt haar huis vanaf de passagiersstoel. De ruiten zijn flets, de verf op de voordeur bladdert. Het groene houten bordje, de vaalwitte schrijfletters. Haar naam, zijn naam, erachter een hart.