Home » Kom eraan

Kom eraan

Martijn van Lith, 2019

Je stapt uit de douche, hoort de telefoon. Rustig droog je je af. Je rug, je benen, de voet die je gisteren hebt opengehaald in het zwembad. Het trapje. Een flinke streep over je wreef. Menno vond dat je het zwembad aansprakelijk moest stellen. De schat. Je lachte het weg. Typisch, noemde hij dat.

Je hebt net je eerste lens in als de telefoon weer gaat. Je moeder. Het schermpje dooft. Tweede lens erin. Tandenpoetsen, terugbellen. Op het plankje boven de wasbak liggen kleine donkere haartjes. Je blaast ze weg. Opnieuw de beltoon. Die aflopende, rustgevend bedoelde ploinkjesFré, zie je op het scherm. Je neemt op. Ze praat snel. Je moet naar mama’s huis, er is haast bij. Zelf zit ze in Frankfurt. Je stelt haar gerust. Geen probleem, je komt eraan. Terwijl jij je nagels knipt vertelt ze wat er is gebeurd. Met het knippertje krijg je net dat zwarte hoekje niet weg.

Uit de schuifkast pak je een broek. Je loopt naar het raam en kijkt naar het buurmeisje. Ze fietst de straat uit. Kikkerrugzak, helmpje, de sturende arm van haar moeder. Ze gaan de bocht om, het fietspad op. Het meisje gooit haar stuur om en blijft maar net overeind. Je trekt je broek aan, zoekt je portemonnee. Met een paar sokken in je hand loop je naar de keuken. Happy Socks die je van Menno hebt gekregen. Je vindt ze niet echt mooi. Eerst een kop koffie.

Je start de auto, zet je koffiebeker in de houder. Violen en cello’s. Je zucht. Hij en zijn Radio 4. Je draait het volume omlaag, kijkt in je binnenspiegel, dan over je schouder. De achteruitrijcamera gebruik je niet. Langzaam schuift de Renault Captur de straat op. Wanneer je aan het eind rechtsaf slaat, hoor je weer een pingetje. Je kijkt naar je telefoon, die bungelt aan de carkit waar hij eigenlijk niet in past. Het is niet je zus.

Bij het hertenkamp is het rustig. Twee kinderen van een jaar of drie steken hun vingers door het hek. Een geit komt aanlopen. Zie je daar een plastic zak bij de voederbak liggen? Een tegenligger toetert. Je steekt je hand op. Even verderop passeer je het buurmeisje en haar moeder. Het is een krokodillenrugzak, zie je nu. Voorbij de muziekschool sla je linksaf. Nog een minuut of tien, dan ben je bij je moeder. Niets aan de hand.

Het appje is van je collega. Hij vond het gezellig gister. Geen knipoog. Je lacht, wilt antwoorden, maar wacht. Rotonde, afremmen tot twintig, terug naar z’n twee. Zo heb je het geleerd, zo doe je het nog steeds. Menno lacht dan, vraagt of je hier gaat parkeren. Voorbij de rotonde reik je toch naar je telefoon. Ik ooj, stuur je. En dan een losse k. Direct de blauwe vinkjes, hij is alweer aan het typen. Twee lachende gezichtjes met tranen, één met een feesthoedje. Voorbij het ziekenhuis naar links.

Een lachende man duwt een rolstoel richting de parkeerplaats. Een vrouw, ze heeft het gezicht van je moeder. Ze kijkt serieus, lijkt haar hoofd te schudden. Wat zei Fré nou eigenlijk? Dat er haast was, oké. Haast alleen is geen reden voor paniek. Mama kan een sleutel kwijt zijn, een schoen niet kunnen vinden. Vorige week belde ze omdat ze in de Lidl stond zonder boodschappenlijstje. Of je dat alsjeblieft kon komen brengen. Daarna dronken jullie koffie bij de bakkerij die zich nu lunchroom noemt. Op het lijstje stond alleen ‘ham, vaatwastabletten’.

Je voegt in op de lege provinciale weg. Rechts de voetbalvelden, links de tulpen. In de schuur daarachter heb je ooit nog twee weken bollen gepeld. Je kreeg een paar gulden per kratje. Het schoot niet op, je was de langzaamste. ‘Je doet het erg zorgvuldig,’ zei de chef en jij dacht dat het een compliment was. Even til je je linkervoet op, je sok plakt aan je wreef. Daar had je toch een pleister op moeten doen. Nog een minuut of vijf, dan ben je bij je moeder. Rustig aan. Je schermpje licht op.

‘Koffie?’ Een knipoog. Een rood bollenveld schiet voorbij. Er zijn geen tegenliggers, het kan wel even. ‘Kan niet’, typ je. ‘Andere keer graag.’ Een touringcar komt je tegemoet, je drukt je scherm uit. Twee handen aan het stuur. De volgende afslag moet je hebben. Dan twee keer rechts, de wijk in en een plekje zoeken. De buurvrouw zal voor het raam zitten en naar je zwaaien. De twee zwaantjes in de vensterbank zullen blinken. Je moeder zal de deur opendoen, mopperen waar je bleef en dan vertellen wat er aan de hand is.

Je kunt de afslag al zien, de stippellijntjes in de verte. Je rechterhand ligt klaar, losjes op de rand van je stuur. Ping. Je collega. Zeker weten? Ah toe? Een pruilend gezichtje, een dampend kopje koffie, een stuk taart en drie puntjes. Je beweegt je rechterhand naar je scherm, voelt je schouders ontspannen, de pijn in je voet is even weg. Je antwoordt.