Ik ben maar gaan lopen met dat kind.
In het park zitten mensen op kleedjes in de schaduw. Ze geven blikjes door, graaien in familiezakken huismerkchips, lachen me net iets te hard. Een jongen drukt zijn peuk uit tegen een reusachtige boom. Hij komt me bekend voor – een studiegenoot? Ik kijk de andere kant op en duw de kinderwagen iets sneller vooruit. Het middelste deel van het veld is verlaten, het overgebleven gras is bruingeel. Gooi daar je peuk neer en de stad staat in brand.
Het lange pad richting de dierentuin. Voorbij het viaduct, de straat over, langs de flamingo’s. Kijk ze staan, achter het lage bakstenen muurtje. Roze en wit, perfect in balans.
Terug bij het park wacht ik even, maar de vrouw in de okergele jurk is nergens te zien. Elk moment verwacht ik dat ze achter een boom vandaan komt en de kinderwagen uit mijn handen trekt. ‘Ik zei toch dat ik zo terug zou zijn!’
Niemand. Ik loop naar een bankje. De prullenbak ernaast is een vulkaan van plastic en Heinekenblikjes. Het kind slaapt nog steeds. Hoe oud zal het zijn? Een paar maanden denk ik, maar wat weet ik ervan? Ik heb nog nooit een luier aangeraakt. Mijn vriendinnen pasten op, ik zat achter de kassa. Een baby born-meisje was ik ook al niet, als ik mijn ouders mag geloven.
Knipperende groene oogjes. Een geluidje, dan blijven ze dicht. Als ik opsta voel ik een hand die mijn arm beetpakt. Daar gaan we, denk ik, maar deze vrouw draagt een spijkerbroek en een wit shirt. Ze kijkt me aan, wijst naar de lucht en trekt het scherm van de kinderwagen op. ‘Uitkijken, hoor. Ze verbranden zo met dit weer.’ Ik mompel ‘dank u wel’ en ga weer zitten.
Eerst mijn moeder bellen.
‘Hoezo, een kind?’
Ik vertel haar over het park, de wagen, het okergeel. En vraag me niet waarom, maar ik vertel haar over de flamingo’s. Mijn moeder luistert, want dat kan ze. Ze luistert en ze zegt wat ik niet wil horen. De politie bellen. Natuurlijk.
Een groep vrouwen rent voorbij. Ik zie ze wel vaker lopen met hun roze shirtjes. Er staat Mom in balance op, zie ik nu, en daaronder Back in shape. Ze stoppen en gaan in het gras liggen. Eén van hen haalt gewichten uit een Jumbo-shopper. Geen roze gewichten, dat valt mee.
‘Maar Tes, wat ik niet begrijp. Was ze zomaar ineens weg? Dat doet een moeder toch niet? Heeft ze niets tegen je gezegd?’
Ik denk na. Heeft ze nog iets gezegd?
‘Nee, alleen dat ze zo terug zou zijn. Ze ging even plassen. Maar het duurde echt een eeuwigheid.’ I
Ik hoor de twijfel in mijn stem. Zij ook?
Ze zwijgt even.
‘Hmm. Beloof je dat je de politie belt?’
Het is geen vraag. Ze belt me vanavond om het te checken.
Een man met dreads duwt een schaafijskarretje het park in. Het wordt drukker.
Wegwerpbarbecues, schalen met pastasalade, flessen witte wijn in aluminiumfolie. De rastaman laat zijn bel rinkelen. Zo’n baby moet toch een keer honger krijgen? Zijn luier volpoepen? Ik duw het dekentje opzij en druk mijn neus eronder. Zwitsal.
Voorzichtig wrijf ik over een handje. Het voelt anders dan ik dacht. Als een piepklein kussen dat in de zon heeft gelegen. De baby kijkt tevreden, lijkt zelfs te lachen. Kan dat? Lachen zulke jonge kindjes al?
‘Kom, we gaan naar huis,’ zeg ik zacht. De schuimrubberen handgreep voelt al minder onwennig, de blikken van voorbijgangers minder doordringend. Geen zorgen, mensen. Alles onder controle.
Als we mijn straat in lopen, begint het. Eerst nog jammerend, dan steeds scheller en harder. Ik til de baby uit de wagen. Een hand achter het hoofdje, zoals ik de buurvrouw soms zie doen. Meer een buurmeisje, eigenlijk. Mijn moeder heeft haar vorig jaar op tv gezien, zo’n programma met tienermoeders en Patty Brard. Straks even vragen of zij babymelk heeft.
Met het krijsende kind tegen mijn schouder loop ik de trap op. Mijn elleboog leg ik op de deurklink, de poes steekt haar kop om de hoek en geeft kopjes tegen mijn been. ‘Even uitkijken, Lola. We hebben een gast.’
Ik pak het poezenkleed met de minste haren en leg de baby er voorzichtig op. De ogen zijn streepjes geworden, zwarte streepjes in een donkerrood gezicht. En dat geluid. Ik voel het in mijn benen, mijn buik, mijn hoofd. Mijn slapen kloppen.
Het scherm van mijn telefoon licht op. Mama. Eerst een glas water.
‘Je hebt nog niet gebeld, hè?’
Met de telefoon op speaker schuif ik een bord pasta in de magnetron.
‘Ik versta je heel slecht, mam. De baby brult.’
De kaas bovenop sist. Nog een paar seconden.
‘Morgen bel ik.’
Ze zucht. Hier neemt ze geen genoegen mee.
‘Het buurmeisje komt me zo even helpen.’
Ik kijk naar het kleed, waar twee minihanden om zich heen grijpen. Lola is ervandoor.
‘Luister Tes, je belt vanavond nog. Hoor je dat?’
‘Hm hm.’
‘En één ding...’
‘Au’. Ik brand mijn hand aan het pastabord. ‘Wat?’
‘Dat kind is niet van jou. Vergeet dat niet.’
Lauw water spoelt de pijn uit mijn duim en wijsvinger. ‘Nee, mam.’
Het buurmeisje heeft haar babyfoon meegenomen. Er komt alleen een geruststellende brom uit.
‘Ah…. Wat een kleintje. Je zult wel een trotse tante zijn!’
Ik knik. Het gehuil lijkt minder intens nu zij binnen is.
‘Gek hè, ik kan me al bijna niet meer voorstellen dat Jessy ook zo klein is geweest.’ Ze kijkt me aan, verwacht misschien een antwoord. Haar ogen zijn lichtblauw als muisjes op een beschuit. Ze tilt de baby op, soepel. Zo ziet het eruit als je niet bang bent om hem te laten vallen.
‘Wat is er, mannetje? Heb jij honger?’
Ze draait zich naar me om en haalt een fles uit haar tas. ‘Beneden vast even klaargemaakt. Ik hoorde deze man al.’ Rustig brengt ze de fles naar het happende mondje. Dr. Brown’s, staat erop. Ik hoor weer het aangename zoemen van de babyfoon. Iemand heeft een zachte deken over mijn bonkende slapen gelegd. Dank u, dr. Brown.
Het buurmeisje trekt het flesje terug, houdt de baby even rechtop. ‘Mooi kereltje. Hoe heet-ie?’
Even wil ik haar de waarheid vertellen. Dat ik even op de baby moest letten, dat die vrouw zo terug zou zijn. Het scheelt niet veel of ik vertel mijn buurmeisje alles. Dat iedereen in dat park daar zo nadrukkelijk thuishoorde, zo vanzelfsprekend ergens onderdeel van was - een clubje, een kleedje, een een-na-laatste rondje supermarktwijn. En ik stond daar maar, in mijn eentje met andermans kinderwagen, zonder iets te drinken.
‘Hij heet Teun,’ zeg ik. ‘Naar mijn opa.’
En zij knikt, mijn buurmeisje. Mijn knappe buurmeisje met haar veel te blauwe ogen. Ze geeft Teun een schone luier, laat zien hoe je de flapjes omvouwt. ‘Dat vergeet je maar één keer’, zegt ze. Ik lach met haar mee.
Ze maakt een flesje klaar en ik probeer op te letten.
Haar naam, ik ben haar naam vergeten. Het was iets wat me aan pudding deed denken. Het is te laat om er nog naar te vragen. Sowena? Sarena?
Ze is weer naar beneden. Zachte slaapgeluidjes vanaf het kleed. Eindelijk kan ik even nadenken. Straks belt mijn moeder weer. En dan? Zeg ik haar dat ik de politie niet dúrf te bellen, ook al weet ik dat het moet? Dat ik de hele situatie gewoon niet uit kan leggen? Het kan niet, Tes, het mag niet. Het kind is niet van jou. Actie.
Ik stap naar buiten met de wagen, de paarse schemer in. Zomeravondgeluiden. Stemmen, speakers, hier en daar een hond. Achter me klinken sirenes. Blauwe banen over het asfalt, twee auto’s schieten voorbij. Ze buigen op volle snelheid af richting het centrum.
‘Gaat het?’ Een vrouw kijkt me aan, naast haar wacht een labrador.
‘Ja, hoor. Ik schrok van die sirenes. Was even in gedachten.’
Ze glimlacht. ‘Ach, kijk nou, wat een engel. Daar mag je heel blij mee zijn.’
Ik probeer te lachen. ‘Ben ik ook. Het bonkt weer in mijn hoofd. ‘Zijn we ook.’
De vrouw trekt de hond met zich mee, achter haar komt een meisje van mijn leeftijd aanlopen. Normaal doen nu, niet te opvallend kijken. Nog even en alles is weer zoals het was. Gewoon doen alsof je iets heel normaals vraagt. Pas van dichtbij herken ik haar, ze woont schuin aan de overkant. Uit haar koptelefoon dreunt metal. Ze knikt me toe, ik steek mijn hand op.
Langs het park, waar de barbecues nog branden. Een mooie avond voor marshmallows.
De volgende moet ik hebben. Daar. Een man van een jaar of vijftig met een witte maltezer. Twee vriendelijke gezichten. Kom op, het is niet zo moeilijk. Een beetje glimlachen, doen alsof het allemaal heel normaal is. Gewoon zeggen dat je zo terug bent. En als hij dan ‘oké’ zegt en die wagen aanpakt – en natuurlijk zegt hij ‘oké’ en pakt hij die wagen aan – rustig weglopen. Achter die grote boom even blijven staan, tien seconden, twintig. Dan, als hij de andere kant op kijkt, naar dat hondje van ‘m, die witte vacht met hier en daar een grijze plek, of misschien wel naar kleine Teun in de wagen met zijn minihandjes die de avondlucht willen vastpakken: lopen. Gewoon stevig door blijven lopen. Je bent iemand die ergens naartoe moet. Voorbij het viaduct, de straat over, langs de flamingo’s en verder.