Op het terras van Olivier loopt de zoveelste ‘misschien wel laatste zomeravond’ ten einde, zachtjes pruttelend in stoofpotten en speciaalbier. Alles is hier Belgisch zoals Chinatown Chinees is. En iedereen zit maar gezellig te doen alsof niet zojuist Gerrit Kouwenaar is overleden. Een tafel naast ons zitten twee mannen van halverwege de dertig: lichtblauwe overhemden en veel te grote horloges. Mannen voor wie elk gesprek een conference call is, mannen die meer meetings hebben dan gesprekken met hun vrouw. Ze drinken allebei een Duvel en praten hard. Iets met stakeholders en business units.

Tegen het decor van plastic Vlaamsheid, waar ieder moment Dimitri Verhulsts ‘Pruimenlied’ kan worden aangeheven, eten wij vlees. Tussen de muren van het voormalige St. Elisabeth Ziekenhuis, waar de wijn normaal gesproken gebruikt wordt om mosselen in te koken, heffen we het glas – rode wijn – op Gerrit Kouwenaar. (Enkele honderden meters verderop kocht ik ooit een prachtige eerste druk van zijn bundel Volledig volmaakte oneetbare perzik. Nu zit er een of ander trendbureau, of een goedkope drogist, ik weet het niet zeker. Het kan ook een snackbar of een kapper zijn).

Bruut verstoren de twee business units mijn gemijmer. ‘Vertrouw nooit een dikke zwerver,’ roept er een. Gebulder vult het terras. Het zakelijke gedeelte van de bespreking is kennelijk achter de rug en de volumeknop blijkt nog verder open te kunnen. De ander begint over een vrouw, wier aantrekkelijkheid door zijn vriend wordt betwist: ‘Maar vanaf het bekkie naar beneden gaat het wel.’ Wederom ontsteken ze beiden in een Ron Brandsteder-waardig gehinnik. Wij, bewonderaars van het oeuvre van Kouwenaar, halen onze neus op en bestellen nog een fles merlot. We proeven de wijn, snijden het vlees en vieren de taal, in al zijn schoonheid en ontoereikendheid. Mooier dan Kouwenaar kan ik het niet opschrijven:

Waar geurde je toen naar, toen, het was
een woord dat er niet was, zomersneeuw, zweem
van lichtweefsel, mondstilte, honinggras

vandaag, najaar, in ons slordig beheerd paradijs
hoorde ik, afzijdig, tussen de wildgroei
je pathetisch geblokkeerde zilver rinkelen

ik ziende taalde het doofste, witvlinders, leven
zo licht dat geen naam het kon dragen, en jij
bestond dit onteigend moment dat ik rilde

woorden als deze staan voorgoed roerloos, ik
bewoon ze, ook nu de wind opsteekt, oude
schaduwtakken breken en je het koud hebt –

_

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (12-09-2014)