Begin juli, een eeuwigheid geleden. Op het bankje voor de Pieterskerk zit een meisje. Aan haar tenen bungelen slippers met Braziliaanse vlaggetjes. Ze plakt gele post-its in haar agenda, over de onbeschreven lijnen van dinsdag en donderdag. Het kunnen ook twee andere dagen zijn, maar ze plakt post-its op lege dagen. Gele. En daar schrijft ze dan op. Ongetwijfeld teksten als ‘21-diner Tes’ en ‘lunchen met Joachim’. Op haar pen staan aardbeien met veel te grote kronen.

Het is zo’n namiddag in juli die schreeuwt om briketten en shashlicks. Verderop trekt een jong stel aluminiumfolie van een fles rosé af. Ze hebben champagneglaasjes van felgekleurd plastic en in hun tas, dat kan niet missen, een zwetend stuk brie. Een man zonder shirt zingt over God, voor het Prentenkabinet stopt een taxi en op het terras van Fresh ‘n Fast gooit iemand een glas stuk. De scherven lichten op tussen de kinderkopjes.

Terwijl ik aandachtig naar mijn hemelsblauwe Nikes kijk – net aangeschaft – zie ik hoe het meisje naast me een boterhamzakje uit haar tas pakt. Witte druiven. Ze steekt een druif in haar mond en bladert door de agenda, waarin ze om de paar bladzijden foto’s heeft geplakt. Iedereen lacht. Ze bijt op haar pen en kijkt naar de lucht. Het enige wit komt van vliegtuigen.

Dan klapt het meisje haar agenda dicht. Ze stopt haar spullen in haar tas, eet de laatste druif op en kijkt heel even mijn kant op. Het boterhamzakje stopt ze weg in haar korte broek. Ik wil haar vragen naar de post-its, maar doe het niet. Er zijn vast landen waar ze daar een een spreekwoord voor hebben: dat het antwoord nooit zo interessant kan zijn als de vraag. De reis, de bestemming, et cetera. Het meisje flipflopt weg de Kloksteeg in. Begin juli, een eeuwigheid geleden. Gerard Cox, kom er maar in.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (05-09-2014)