De man naast me spreekt het boulevard-Katwijks dat is voorbehouden aan senioren. Zijn piekerige wenkbrauwen komen nog net onder zijn oranje-zwarte muts vandaan. De opdruk met logo is versleten. Na de vroege tegentreffer knikt hij zijn buurman aan de andere kant bemoedigend toe. ‘Twie-ien’ gaat het worden, hij weet het zeker. Buurman, die zo te zien ook al een jaar of twintig met korting naar binnen mag, is er niet gerust op. Al vanaf de aftrap gaat hij los.

‘Afspelen die bal! Dat is toch geen duel aangaan?’ Slappe hap! Heb je de verkeerde schoenen aan? Traag gedoe! Dat had je kunnen zien!’ Je gaat erin als een wijf!’ Ziekenhuisbal!’

Als je deze man aanhoort, geloof je niet dat zijn ploeg soeverein bovenaan staat, met elf punten voorsprong op de nummer twee en een wedstrijd tegoed. Vooral de trainer en de spits hebben het gedaan vandaag. De man met de muts hoort het allemaal gelaten aan – of misschien hoort hij het al niet meer. Sommige mensen zeggen dat je kunt wennen aan geluid, maar volgens mij zijn dat vooral makelaars. Deze man lijkt hoe dan ook immuun. Ik probeer zijn onverstoorbare houding over te nemen, de negativiteit van me af te laten glijden, een onaantastbaar bouwwerk te zijn (Zen! Wierook! Boeddhisme!). Ik krijg het niet voor elkaar.

‘Kom nou toch, Joost! Dat is toch geen pass geven! Willen ze wel winnen? Die trainer moet toch wel een bord voor zijn kop hebben? Anders begin je toch niet met zo’n opstelling? Is hij nou echt zo stom? Zo moeilijk is het allemaal niet! Afspelen die bal! Joost, wisselen! Slappe hap!’

Een kwartier voor tijd valt hij even stil. Je kunt erop wachten, iets met voetbalwetten en spitsen die geen bal raken: Joost Leonard scoort de gelijkmaker. Het gemopper verdwijnt eventjes en is helemaal verdwenen als een paar minuten later de winnende in het net ligt. De grijze snor knipoogt naar me en slaat zijn buurman op de schouder. ‘Twie-ien.’ Hij had het toch gezegd?

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (13-02-2015)