Leiden, Diamantbuurt, rond het middaguur. Een man werpt kushandjes naar een raam en roept er hartstochtelijk bij.

‘Rustig aan! Tot gauw!’

Zijn dunne armen armen zijn bedekt met tatoeages en ook onder zijn grijze shirt vermoed ik gekleurde inkt. Hij zal harverwege de veertig zijn.

Aan de andere kant van het venster zit een  mevrouw op leeftijd, op een bankstel dat niet meer in de folders voorkomt. Zo te zien heeft ze kort geleden ‘de haren laten doen’, of hoe zeggen dames van een bepaalde leeftijd dat? ‘Tiny is geweest’, zoiets moet het zijn. In elk geval maakt haar kapsel een keurig gewatergolfde indruk. Ook de kleur is precies goed: onnatuurlijk doch neutraal.

‘Tot volgende week, mam! Rustig aan!’

Een laatste kushand en hij draait zich om.

De noodzaak van zijn laatste oproep ontgaat me. Ze mag er dan onberispelijk gekapt bijzitten, tot veel meer dan wat stapjes opzij  – al dan niet begeleid door Olga Commandeur  –  acht ik haar niet in staat. Hij bedoelt het lief, dat weet ik zeker, maar het klinkt alsof hij tegen Louis van Gaal zegt: ‘geloof in jezelf.’

‘En waar sta jij naar te kijken!?’

Al zijn vriendelijkheid is in één keer verdwenen. Met mijn gemompel neemt hij duidelijk geen genoegen.

‘Nou, bril, gaan we nog antwoord geven?’

Hij geeft me een flinke duw; ik kan nog net blijven staan. Wat wil hij horen? Dat ik toevallig langs liep? Dat ik het mooi vond hoe hij zwaaide?

‘Ik, eh… liep gewoon langs, ik weet niet… ‘

Ik bereid me voor op een dreun. Het is te hopen dat zijn moeder toekijkt: het kan mijn redding zijn. Terwijl hij me onverminderd dreigend aankijkt, probeer ik voorzichtig door te lopen.

Hij houdt me tegen en begint dan te lachen. Hij slaat me op mijn schouder en weer sta ik te wankelen.

‘Ouwe pik, daar had ik je even!’

Hij lacht nog harder en slaat een arm om me heen.

‘Je had je gezicht moeten zien, man! Alsof ik je ging vermoorden!

Lachend loopt hij weg. Hij zwaait nog een keer naar zijn moeder.

‘Dag mam, rustig aan!’

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (29-11-2013)