Requiem

De houten bankjes hadden comfortabeler gekund, maar de muziek is prachtig. Vrijdagavond in de Marekerk. Een rij voor me zit een jongen van een jaar of vijftien. Hij draagt hetzelfde donkerblauwe colbert als zijn vader, die naast hem zit. Een strenge doch rechtvaardige leraar bijbelonderwijs. Of een uitvaartondernemer van de oude stempel.

Je hoeft geen fantasie te hebben om te zien hoe de jongen er over dertig jaar uitziet. De vorm van zijn hoofd, de houding, de onberispelijke scheiding in het donkere haar: in alles is hij een kopie. Precies op dezelfde momenten wijzen ze naar het programmaboekje. Precies met evenveel volume klappen ze heel beschaafd hun handen donkerblauw.

Een paar rijen achter me zitten een dame en een heer van respectabele leeftijd. Op alle andere rijen trouwens ook, maar daar gaat het even niet om. De dame in kwestie geeft om de paar minuten commentaar. Soms kort en lovend (‘Mooi!’, ‘Prachtig!’, ‘Schitterend, zeg!’), soms iets langer en opbouwender (‘Die tenor zat er even goed naast, Hendrik! Hoorde je dat?). Ze lijkt in de veronderstelling dat alleen Hendrik haar kan horen.

Het programmablaadje heb ik voor me neergezet. Dankbaar houd ik de voortgang bij wanneer ik het koor weer ‘gloria’ of ‘benedictus’ hoor zingen. Ergens tussen de delen ‘sanctus’ en ‘agnus dei’ valt het me voor het eerst op. De stem van de dame achter me, direct gevolgd door het draaiende hoofd van de jongen. Bij elke nieuwe opmerking beweegt hij zijn hoofd sneller en verder. Kwaad kijken is een kunst die hij uitstekend beheerst. Tegen de tijd dat we bij ‘agnus dei’ zijn aangekomen, voel ik zijn gitzwarte wenkbrauw mijn enkels kietelen.

Het applaus dat de pauze inluidt is nog niet weggestorven, of de dame achterin begint aan haar evaluatie. De dirigent maakt zich wel erg druk, vindt ze, en sommige leden van het koor kan ze helemaal niet zien. Ze maant haar Hendrik om snel op te staan. Ze is geen 86 geworden om in de rij te staan voor een kop koffie.

De jongen voor me krabt aan het driehoekige plukje haar dat ook over dertig jaar nog zijn nek zal sieren. Dan draait hij zich om en laat zijn ogen over de rijen achter hem gaan. De zwarte borstel daarboven beweegt heel zachtjes op en neer. Zijn vader ziet het en slaat een arm om hem heen. Hij fluistert iets. Laat het gaan, maak je niet druk, let op de muziek – of wat gereformeerde uitvaartondernemers dan ook fluisteren tegen de jongere versies van zichzelf.

De bel klinkt, het stuk gaat verder. Het kost me moeite op de muziek te blijven letten.

Leidsch Dagblad, 9 februari 2018

Geef een reactie

Your email address will not be published / Required fields are marked *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.