Vrouwtje

Meneer één is iemand die houdt van spelers met zwarte voetbalschoenen, dat zie je meteen. Hij zegt dingen als ‘Met slechte mensen gaat het altijd goed’ en ‘Met ‘t vrouwtje ook?’ Op zijn shirt staan de drie x’en van Amsterdam, eroverheen draagt hij een rood-witte sjaal met aan het uiteinde een blauwe davidster. Meneer twee, die met nummer één in gesprek is, is neutraler gekleed. Roze overhemd, bruin leren jasje. Ook een voetballiefhebber, maar dan met een abonnement op Het Financieele Dagblad. Ze lachen hard. ‘Laat moeders de vrouw het maar niet horen,’ roept meneer één.

Vóór de mannen staat een vrouw te zuchten bij de kaartautomaat. Ze krijgt haar pinpas er niet uit. Ik schat haar halverwege de dertig: een vrouw die zachtjes praat en soms vergeet het brood voor haar dochter te smeren. De mannen wachten geduldig terwijl de procedure wordt afgebroken. Meneer twee vraagt of hij kan helpen, maar de vrouw hoort hem niet. Ze begint opnieuw en kijkt gejaagd op haar horloge.

Inmiddels is er een andere automaat vrijgekomen voor meneer twee, die in alle rust zijn ov-chipkaart aanbiedt. ‘Stop hem d’r maar in, hoor’ roept nummer één nadrukkelijk. Hij kijkt erbij of hij een geslaagde grap vertelt. De vrouw trekt zacht mopperend haar pas uit de automaat en houdt haar chipkaart er tegenaan. ‘Gelukt?’ vraagt meneer nummer twee. Ze kijkt bedenkelijk naar het scherm. ‘Ja. Dank u wel.’ Half rennend vertrekt ze richting de poortjes.

‘Daar zou ik wel een avondje ruzie voor over hebben,’ verklaart meneer nummer één, terwijl hij de vrouw nakijkt. Ze stapt de roltrap op naar spoor 8 en 9. ‘Skinny’ is nog zwak uitgedrukt voor haar donkere spijkerbroek. Meneer één laat zijn tong even uit zijn mond hangen en stompt nummer twee tegen de schouder. ‘En een weekje ook wel!’ Dan verdwijnen ze de Albert Heijn in, waar de grote blikken bier in de aanbieding zijn.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (05-12-2014)

Niets aan de hand

Mevrouw Meijers maakt zich zorgen. Haar gezicht heeft de kleur van een Duitse taxi en crèmes helpen niet. Haar man vraagt zich af waar ze zich druk om maakt. En waar zijn koffie blijft. Volgens hem is het niets. Ze drinken koffie aan de keukentafel, de boodschappentas staat al klaar.

Ze komt thuis met een volle tas en een ingelijste tekst. Sunshine and love: the best things in life are free. ‘Vind je het mooi?’ Meneer Meijers haalt zijn schouders op. ‘Waar moet ik hem ophangen?’ Ze heeft ook nog een haring voor hem meegenomen, met de uitjes apart.

‘s Avonds staat ze toch weer voor de spiegel, onder de vier houten hoofdletters van HOME. Zou het de lichtval zijn? Die vaalgele gloed bevalt haar niet. ‘Zie je niets bijzonders aan me, schat?’ Geen reactie. Hij kijkt tv. Spaans voetbal, zo te horen. De commentator praat over een of ander restaurant in Barcelona, er zal op het veld wel niet veel gebeuren.

‘Lieverd? Zie je echt niks raars?’ Even blijf het stil. ‘Nee, joh’, zegt hij, tegen Messi of zijn vrouw. ‘Je kijkt niet eens.’ ‘Ik kijk wel. En je ziet er uit als altijd.’ Hij schuift naar de punt van zijn stoel. De commentaarstem klinkt luider. Meneer Meijers vloekt. ‘Dat is toch verdomme geen pass geven!’ Hij smijt een pistachenootje naar het scherm.

‘Schat, vind je echt dat ik er goed uitzie?’ Weer antwoordt hij niet. Hij vindt vooral dat het een goal had moeten zijn. Misschien heeft haar man gelijk, misschien maakt ze zich zorgen om niks. Ze duikt er maar eens vroeg in. Wie weet voelt ze zich morgen prima. Ze kust haar man, die zijn ogen op de tv gericht houdt. Hij kijkt de wedstrijd nog even af. Zijn ploeg verliest in de laatste minuut, maar behoudt de koppositie. Zie je wel? Niets aan de hand.

_

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (21-11-2014)

Mevrouw De Bree

Mevrouw De Bree zet de televisie uit. Ze kust haar man goedenacht, houdt hem heel even in haar handen en veegt dan met haar mouw het stof van de lijst. Een foto in zwart-wit, een ander leven haast. Een lach die sterker is dan de tijd. Op televisie had ze Henny Huisman gezien, een paar minuten maar. Haar dochter had het goed gezegd, net aan de telefoon: hij begint steeds meer op Patty Brard te lijken. Ze hadden maar kort gebeld, er was iets met een deadline. Of stond er iets in de oven? Maandag belt ze weer, dat beloofde ze.

Het zijn avonden als deze waarop zijn afwezigheid tastbaar is. Zijn stem, zijn geur, zijn sigaren. Op zijn lege stoel ligt alleen een kleedje; de krant heeft ze vorige maand opgezegd. ‘Wat is de reden van opzegging?’ had de vriendelijke juffrouw aan de telefoon gevraagd. Mevrouw De Bree had even geen antwoord, ze slikte. ‘Niemand leest ‘m meer,’ bracht ze zachtjes uit. Hoe stilte kan kraken. ‘Mag ik u dan op ons voordelige weekendabonnement wijzen?’ Ze was te beleefd om nee te zeggen.

Langzaam sloft ze naar de badkamer, waar de kraan zachtjes drupt. Vanochtend niet goed dichtgedraaid, daar moet ze beter op letten. De zon is nog nauwelijks onder; een avondmens is ze nooit geweest. Hij wel. Op dit soort avonden keek hij graag nog even tv. Voetbal, journaal, een Britse detective. Zij dutte steevast in zodra ze haar kop thee op had. Af en toe schoot ze wakker, van een doelpunt of een moordpartij. ‘Ik maak het niet laat, hoor’, zei hij dan. Alsof ze het zou hebben gemerkt.

Nu is mevrouw De Bree klaarwakker, maar ze moet toch liggen. Ze poetst haar tanden, elektrisch, en verbaast zich erover hoelang de tandpasta meegaat. Naar de slaapkamer neemt ze een glas water mee, dat ze naast het bed zet. Ze trekt het gordijn dicht, pakt haar boek en kruipt in het koude, veel te grote bed. De nachten, die duren het langst.

_

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (17-10-2014)

Woorden als deze

Op het terras van Olivier loopt de zoveelste ‘misschien wel laatste zomeravond’ ten einde, zachtjes pruttelend in stoofpotten en speciaalbier. Alles is hier Belgisch zoals Chinatown Chinees is. En iedereen zit maar gezellig te doen alsof niet zojuist Gerrit Kouwenaar is overleden. Een tafel naast ons zitten twee mannen van halverwege de dertig: lichtblauwe overhemden en veel te grote horloges. Mannen voor wie elk gesprek een conference call is, mannen die meer meetings hebben dan gesprekken met hun vrouw. Ze drinken allebei een Duvel en praten hard. Iets met stakeholders en business units.

Tegen het decor van plastic Vlaamsheid, waar ieder moment Dimitri Verhulsts ‘Pruimenlied’ kan worden aangeheven, eten wij vlees. Tussen de muren van het voormalige St. Elisabeth Ziekenhuis, waar de wijn normaal gesproken gebruikt wordt om mosselen in te koken, heffen we het glas – rode wijn – op Gerrit Kouwenaar. (Enkele honderden meters verderop kocht ik ooit een prachtige eerste druk van zijn bundel Volledig volmaakte oneetbare perzik. Nu zit er een of ander trendbureau, of een goedkope drogist, ik weet het niet zeker. Het kan ook een snackbar of een kapper zijn).

Bruut verstoren de twee business units mijn gemijmer. ‘Vertrouw nooit een dikke zwerver,’ roept er een. Gebulder vult het terras. Het zakelijke gedeelte van de bespreking is kennelijk achter de rug en de volumeknop blijkt nog verder open te kunnen. De ander begint over een vrouw, wier aantrekkelijkheid door zijn vriend wordt betwist: ‘Maar vanaf het bekkie naar beneden gaat het wel.’ Wederom ontsteken ze beiden in een Ron Brandsteder-waardig gehinnik. Wij, bewonderaars van het oeuvre van Kouwenaar, halen onze neus op en bestellen nog een fles merlot. We proeven de wijn, snijden het vlees en vieren de taal, in al zijn schoonheid en ontoereikendheid. Mooier dan Kouwenaar kan ik het niet opschrijven:

Waar geurde je toen naar, toen, het was
een woord dat er niet was, zomersneeuw, zweem
van lichtweefsel, mondstilte, honinggras

vandaag, najaar, in ons slordig beheerd paradijs
hoorde ik, afzijdig, tussen de wildgroei
je pathetisch geblokkeerde zilver rinkelen

ik ziende taalde het doofste, witvlinders, leven
zo licht dat geen naam het kon dragen, en jij
bestond dit onteigend moment dat ik rilde

woorden als deze staan voorgoed roerloos, ik
bewoon ze, ook nu de wind opsteekt, oude
schaduwtakken breken en je het koud hebt –

_

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (12-09-2014)

Voorbij

Begin juli, een eeuwigheid geleden. Op het bankje voor de Pieterskerk zit een meisje. Aan haar tenen bungelen slippers met Braziliaanse vlaggetjes. Ze plakt gele post-its in haar agenda, over de onbeschreven lijnen van dinsdag en donderdag. Het kunnen ook twee andere dagen zijn, maar ze plakt post-its op lege dagen. Gele. En daar schrijft ze dan op. Ongetwijfeld teksten als ‘21-diner Tes’ en ‘lunchen met Joachim’. Op haar pen staan aardbeien met veel te grote kronen.

Het is zo’n namiddag in juli die schreeuwt om briketten en shashlicks. Verderop trekt een jong stel aluminiumfolie van een fles rosé af. Ze hebben champagneglaasjes van felgekleurd plastic en in hun tas, dat kan niet missen, een zwetend stuk brie. Een man zonder shirt zingt over God, voor het Prentenkabinet stopt een taxi en op het terras van Fresh ‘n Fast gooit iemand een glas stuk. De scherven lichten op tussen de kinderkopjes.

Terwijl ik aandachtig naar mijn hemelsblauwe Nikes kijk – net aangeschaft – zie ik hoe het meisje naast me een boterhamzakje uit haar tas pakt. Witte druiven. Ze steekt een druif in haar mond en bladert door de agenda, waarin ze om de paar bladzijden foto’s heeft geplakt. Iedereen lacht. Ze bijt op haar pen en kijkt naar de lucht. Het enige wit komt van vliegtuigen.

Dan klapt het meisje haar agenda dicht. Ze stopt haar spullen in haar tas, eet de laatste druif op en kijkt heel even mijn kant op. Het boterhamzakje stopt ze weg in haar korte broek. Ik wil haar vragen naar de post-its, maar doe het niet. Er zijn vast landen waar ze daar een een spreekwoord voor hebben: dat het antwoord nooit zo interessant kan zijn als de vraag. De reis, de bestemming, et cetera. Het meisje flipflopt weg de Kloksteeg in. Begin juli, een eeuwigheid geleden. Gerard Cox, kom er maar in.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (05-09-2014)

 

Davies

Bij Banketbakker Jacobs staan de mensen tot buiten in de rij. De warme broodjes gaan als oranje tompoucen over de toonbank, of andersom. Op een meter of vijftig drijft een ouderwetse voetbal in de gracht. Tenminste, dat zou je denken. Het blijkt de bovenkant van een hoofd. Het is de ochtend van de eerste Koningsdag. Er vormt zich een steeds grotere groep toeschouwers, terwijl veel marktkooplui rustig doorgaan met het aanprijzen van hun waar.

‘Is er een demonstratie,’ vraagt een vrouw aan een politieagente, niet zonder enthousiasme. De agente schudt haar hoofd.

Twee duikers ontfermen zich over het lichaam, dat volgens de meeste omstanders moet hebben toebehoord aan de Engelse jongeman die sinds een week vermist is. Later lees ik dat zijn naam Wayne Davies is. Een naam als een rockster, vind ik, al kan dat ook door mijn voorkeur voor The Kinks komen.

‘Kijk eens hoe goed de zaken gaan!’ roept een bloemenverkoper, wijzend op de mensenmassa voor zijn kraam. Hij staat met zijn rug naar het tafereel en verkoopt daadwerkelijk een bos bloemen.

Met een grote witte zak, waar ongetwijfeld een vakterm voor is, wordt de man de kade op getrokken. Twee schoenen steken uit, voor de rest is er weinig van het lichaam te zien. Wat wel te zien is, heeft het bruin van de gracht overgenomen. Brandweermensen houden – hoe toepasselijk – oranje doeken omhoog. De veel te echte demonstratie is voorbij. Mensen maken zich uit de voeten, op weg naar een pond jong belegen, een tweedehands servies of een grabbelton. Bij Jacobs is het nog altijd druk en ook Velvet Music is geopend: ik meen The Kinks te horen als ik langsloop. Natuurlijk heb ik Wayne Davies nooit gekend; hij kan een Well Respected Man zijn geweest, of een clown op wiens dood gedronken mag worden, maar dat beeld zal ik nooit vergeten. Een vergeten voetbal in de gracht.

Sowieso

De man kijkt me aan alsof ik hem zojuist met de dood heb bedreigd. Dan pakt hij zijn tas en zet deze tussen zijn benen neer. Terwijl ik ga zitten, concentreert de man zich weer op zijn MacBook Air, die wegvalt tegen zijn lichtgrijze maatpak. Zijn handen vliegen over de zwarte toetsen, zijn manchetknopen glimmen als zijn schedelpan. Aan weerszijden resteert een smalle strook haar van een onbestemde kleur, althans: ik ga er even vanuit dat het smerige tonsuurtje doorloopt aan de andere kant.

Aan de overzijde van het gangpad zit een jonge man nogal luidruchtig te telefoneren.  ‘Dus ik heb Michiel even soort van in charge gemaakt,’ zegt hij, met een stem alsof er een complete schaal rosevalaardappelen vastzit in zijn luchtpijp. ‘Want die kan het sowieso dus prima handlen.’ Hij kijkt erbij of hij iets ontzettend intelligents heeft gezegd. ‘Sowieso. Nee, absoluut.’

De man aan mijn linkerkant typt driftig door en ik probeer een naam te vinden voor zijn haarkleur. Zo om de tien seconden valt hij stil en kijkt hij opzichtig nadenkend naar buiten, om vervolgens zijn vingers weer te laten ratelen. Enkele keren houdt hij zelfs drie vingers onder zijn kin tijdens zo’n overpeinzing. Als hij een sik had, zou hij er aan gaan zitten plukken, dat weet ik zeker. Intussen heb ik de krant uit mijn tas gepakt en probeer ik een manier te bedenken om 1) de typende man links van mij – had ik al gezegd dat hij vrij breed zit? – geen elleboog te verkopen en 2) me te kunnen concentreren op de inhoud met die aardappel vlak naast me. Onmogelijk.

Ik vouw mijn krant met enig theater dicht en kijk de bellende man aan. Die trekt zich niets van me aan, of, waarschijnlijker, registreert me überhaupt niet. ‘Ge-ni-aal, gast,’ brult hij in zijn telefoon. ‘Fucking nice!’ De mensen om hem heen kijken wat ongemakkelijk en zo af en toe zucht er iemand, net niet demonstratief genoeg. In een stiltecoupé was het waarschijnlijk al knokken geweest. Naast me hoor ik een diepe zucht. Ik houd het op roestbruin.

De conducteur roept om dat het volgende station ‘de’ Laan van Nieuw Oost-Indië is en overstemt daarmee zowaar het telefoongesprek. Buurman tonsuur heeft zijn MacBook ingepakt in een dure hoes en staat op. Hij passeert me en houdt pal vóór de bellende man stil. Dan grist hij de telefoon uit diens hand, hangt op en geeft de telefoon weer terug. Heel rustig zegt hij ‘Doe dat even ergens anders’ en hij wandelt de trein uit. De beller kijkt zwijgend voor zich uit. Fucking nice, hoor ik de rest van de coupé denken. Sowieso.

Spaghetti

‘Zeg dat je van me houdt!’

Een vrouw met een kandelaar. Ze heeft zojuist spaghetti opgezet, die zachtjes staat te pruttelen. Misschien heet ze Louise.

‘Zeg ‘t, verdomme, of ik steek dit dwars door je heen.’

De man, laten we hem Harm noemen, staat er ontspannen bij. Hij weet dat ze het zal doen, mocht hij blijven zwijgen. Ze schreeuwt hem verwijten toe, afgewisseld met scheldwoorden die hij nog nooit van haar heeft gehoord. Het idee komt bij hem op om zijn telefoon uit zijn zak te halen en haar te filmen. Zachtjes grinnikt hij.

‘Wat sta je nou te lachen? Zeg verdomme dat je van me houdt!’

Harm kijkt naar de ingelijste foto’s aan de muur. Een vakantie in Portugal, net na hun huwelijk. Een foto van haar vader in een militair uniform. Een klassenfoto uit 1991.

‘Zeg dan dat je van me houdt, Harm’ , vervolgt ze ineens zachtjes. Nog even en de tranen zullen over haar wangen stromen. ‘Je houdt toch van me? Zeg ‘t dan…’

Ze fluistert nu bijna.

Harm zwijgt. Hij vraagt zich af of het een leugen zou zijn. Wanneer houd je van iemand? Haar ogen bewegen nu sneller heen en weer. Harm wordt onrustig.

‘Ik hou van je, Louise.’

Mooi, dat is gebeurd. Nu kan ze de kandelaar laten vallen, zich snikkend in z’n armen storten, hem honderd kusjes geven en zeggen dat ze nog veel meer van hem houdt. Dat ze ook niet weet waarom ze hem opeens heeft bedreigd, dat ze het nooit meer zal doen en dat ze twee prachtige kinderen van hem wil. Sam en Evi. Haar spaghetti bolognese met verse basilicum zal smaken als nooit tevoren.

Maar haar blik verandert niet.

‘Leugenaar! Vuile leugenaar!’

Ze beweegt haar rechterarm razendsnel naar voren en Harm zakt tegen de muur in elkaar. Voor al dente is het al een paar minuten te laat.

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (24-01-2014)
En eerder op http://www.tejoow.nl

Zondag

‘Als voetballer heb ik iets van zowel Van Basten als Litmanen, ‘ vertel ik een lokale sportverslaggever. ‘De enkel van de één en de knieën van de ander.’ De verslaggever, tevens teamgenoot in het negende, kan er wel om lachen. We staan onder de douche na een onnodige nederlaag.

Als we niet zo’n ontzettende thuisfluiter hadden gehad, dan was het in de tweede helft vast nog wel gelijk geworden. De  6-1 geeft een vertekend beeld.  Ook zou het waarschijnlijk hebben geholpen als onze keeper Michel  vannacht niet was gezwicht om ‘aan zee’ nog één afzakkertje te komen halen. En misschien had het ook wel geen kwaad gekund als spits David die extra nachtdienst, waar zijn collega vanaf moest, niet had overgenomen, ook al beloofde deze hem kaartjes voor Feyenoord – PSV. Maar we verzamelden vanochtend om 8.15 uur op de club, dat kon precies.

Vanaf een gammel bankje – ‘dug-out’ zou te veel eer zijn – zie ik mijn teamgenoten in de tweede helft zeiknat regenen  op een veld dat er vanochtend prima bij had gelegen. Dat was voordat de mini’s (of hoe heten bij deze club de jongens en meisjes die te jong zijn om in een team met een letter en een cijfer te worden ingedeeld?) het in al hun schattige onvermogen hadden omgeploegd tot de onbespeelbare natte akker die het nu is. En het blijft maar hozen.

Vlak voor tijd begaat de linksback van de thuisploeg een stevige overtreding. Onze Spaanse teamgenoot Eduardo Ruiz blijft kermend liggen. Het is eeuwig zonde dat een man met zo’n prachtige voetbalnaam het balgevoel van een lantaarnpaal bezit.  Ik hoor Spaans dat ik op mijn Prisma-dvd ‘Leer thuis Spaans’ nooit heb gehoord. De scheidsrechter gebaart. Ingooi.

Goed, we verliezen dus volkomen onterecht. Toch is de sfeer in de kleedkamer prima. Michel trekt een krat bier tevoorschijn en Eduardo kan alweer lachen. Alleen verdediger Jan, de man met het rechterbeen van Ronald Koeman, baalt. Zachtjes scheldend trekt hij zijn voetbalschoenen uit en gooit hij zijn vuile shirt op de stapel.

Het wachten is op zijn legendarische ‘Weer een zondag naar de klote!’

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (13-12-2013)

dugout_voetbalveld

Helemahl goed

Wanneer ik de gordijnen van de verlaten wachtkamer een stukje opendoe, begrijp ik waarom deze de hele dag dicht zijn. Een bouwput, een verroeste slagboom en een met lint afgezette parkeerplek. Een plek waar je Gerri Eickhof nog niet neer zou zetten.

Door een ander raam zie ik twee voormalige bushokjes die dienstdoen als rookruimte. De ruiten zijn gebroken, het dak zit vol gaten. Het ziekenhuis heeft zijn best gedaan: alleen de compleet verstokten zullen een koude ochtend als deze trotseren voor hun porte nicotine.

Stipt op tijd word ik geroepen. De anesthesist klinkt als prins Bernhard. Hij doet me denken aan een professor uit een tekenfilmserie. Iets met een vogelbekdier, maar niet Ovide.  Afijn.

‘Kun je nog een beetje mehr op je roek draaien?’

Ik draai wat meer op mijn rug.

‘Ja, zeer goed. Helemahl goed.’

Even later lig ik in een lawaaierige en krappe tunnel met een koptelefoon op mijn hoofd en een band om mijn arm. In mijn linkerhand krijg ik een noodbelletje, voor als ik in paniek raak. Echt genieten van de muziek kan ik niet, aangezien de apparatuur veel lawaai maakt. Het enige wat ik meekrijg, zijn reclameblokken en I’d Do Anything for Love’. Op zichzelf reden genoeg om op het belletje te drukken, maar ik houd me sterk. En ik bid dat Bryan Adams niet gedraaid wordt.

Een paar minuten later wandel ik naar buiten. Naast me loopt een vrouw die een infuus met zich meesleept, maar niettemin vrolijk lacht. Ze groet een hoogbejaarde man met een looprek dat ongeveer in zijn geboortejaar moet zijn gefabriceerd. Samen lopen ze naar buiten.

Terwijl ik probeer om Meat Loaf uit mijn hoofd te krijgen, bedenk ik me dat ik iemand moet bellen om me op te halen. En dat het vogelbekdier Perry heet.

De vrouw met het infuus en de man met het looprek staan samen in het rookhokje. Ze lachen zoals kettingrokers lachen.

Zeer goed. Helemahl goed.

En dan, op de terugweg – ik zweer ‘t:  Bryan Adams op de radio.

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (06-12-2013)