Martijn van Lith

columnist / eindredacteur / tekstschrijver

Page 4 of 6

Dichtbij

“Het komt allemaal wel heel dichtbij, hè,” zegt de vrouw, terwijl ze drie zoetjes in haar koffie laat vallen. Er volgt iets wat bedoeld zal zijn als een betekenisvolle stilte. De man tegenover haar bromt iets: dat ze gelijk heeft, dat het onvoorstelbaar is, dat ze nu toch echt even haar grote smoel moet houden – ik heb geen idee, hij wordt overstemd door een koffiemaler. Dat krijg je in een koffietentje dat zo hip is dat er uitsluitend filterkoffie wordt geserveerd. In plaats van het gebruikelijke glimmende espresso-slagschip staan hier ouderwetse koffiezetapparaten, opschenkkannen en filterhouders op de toonbank.

“Stel je eens voor wat er gebeurd was als die man dat voetbalstadion in was gekomen,” gaat de vrouw verder. Ze schudt langzaam haar hoofd. De man roert in zijn koffie – hoeveel zoetjes zal hij erin hebben? “Ik stel het me juist liever niet voor.” Hij pakt de menukaart erbij. Een mens wordt nu eenmaal vrolijker van worteltaart met walnoten dan van bomgordels. Terwijl de vrouw haar zorgen één voor één uitspreekt en de man haar zo goed en zo kwaad als het gaat geruststelt, probeer ik me te concentreren op de smaak van de koffie. De barista van dienst heeft me net verteld dat dankzij het extra lange zetproces alle aroma’s volledig tot hun recht komen. Ik geloof ‘m.

“Ik weet niet wat ik zou hebben gedaan, hoor.” Ze kijkt uit het raam. Het is een vraag die ik mezelf ook vaak stel, waarschijnlijk iedereen wel: hoe zou ik reageren? Hoe koelbloedig zou ik zijn, op een schaal van Pietje Paniek tot Adel Termos? Die laatste, het is u vast niet ontgaan, wierp zich in Beiroet op een naderende terrorist en redde daarmee vele levens, waaronder dat van zijn dochter. Het antwoord is natuurlijk nooit te geven, tenzij… Verrek, ze hebben ook lemon cheesecake. Ik wenk de serveerster.

“Dat weet je nooit,” zegt de man – diep gebogen over het restje onderin zijn kleine koffieglaasje. De vrouw staart nog altijd naar buiten, ze lijkt het niet te horen. “Nee, dat weet je nooit.”

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (20-11-2015)

Handen wassen

‘Ik ga even mijn handen wassen…’ Behalve de vent die bij elke slok glunderend uitriep ‘Vis moet zwemmen, nietwaar?’, heb ik nooit een ergerlijker figuur gekend dan de vrouw die even haar handen ging wassen. De eerste keer dat ze het zei, dacht ik dat ze plakkerige handen zou hebben. Misschien vanwege gemorste koffie, of door het eten van een tompoes zonder dat er servetten in de buurt zijn. Kan gebeuren. Maar ze had geen plakhanden, ze at al helemaal geen tompoezen: ze was de vrouw die even haar handen ging wassen. Haar gezicht had een vreemde, wittige glans en haar lippen hadden de kleur van verlopen filet américain. Als je dicht genoeg bij haar gezicht stond, kon je de blonde haren op haar kin tellen.

De vrouw die even haar handen ging wassen werkte in de schoolbibliotheek. Ze hield meer van boeken dan van kinderen, zo merkten ook de leerlingen: ze was de strengste vrouw in het gebouw. Vooral vlekken, daar moest ze niets van hebben. Hoofdschuddend noteerde ze dan voorin het boek ‘Vlekken op titelblad’. Of, als het boek echt niet meer te redden was, drukte ze de stempel ‘afgeschreven’ op de eerste pagina – in rode letters, die in de loop der jaren roze zouden worden.

Het zou allemaal niet zo’n ramp zijn geweest als die bibliotheek wat langer open was geweest. Maar nu hing die vrouw de halve dag rond in de docentenkamer, waar ze theedronk, tegen collega’s aanpraatte en onduidelijke handelingen verrichte met stapeltjes bibliotheekboeken. En waar ze zo’n drieëntwintig keer per dag aankondigde even haar handen te gaan wassen. Welbeschouwd moest het er een keer van komen.

Het was een vrijdagmiddag, het liep al tegen vijven en de school was uitgestorven. Ik maakte me op om naar huis te gaan, toen ze haar hoofd om de deur van de docentenkamer stak. “Niet afsluiten hoor, ik ga nog even m’n handen wassen.” Ik had kunnen besluiten de volgende dag ontslag te nemen, ik had briesend maar geduldig tot tien kunnen tellen, ik had haar in alle rust kunnen vertellen: “Luister eens even, dat jij hier de halve dag in de baas z’n tijd zit te schijten moet je zelf weten, maar dat gehandenwas van je komt me nu m’n strot uit.” Maar dat deed ik niet. Ik ben zachtjes de trap afgelopen, heb de alarmcode ingetoetst en de deur vergrendeld. Hoe ze eruit is gekomen weet ik niet, maar de rest van het schooljaar heb ik geen last meer van haar gehad.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (23-10-2015)

Kust

Het is rustig op de Katwijkse boulevard. Een enkele vlieger danst boven de strandtenten, die stuk voor stuk fantasierijke namen dragen als ‘Zon en Zee’,’ Zomers’ en, waarom ook niet, ‘Het Strand’. Bij die laatste drinken we koffie. Moderne meubels, lichte houttinten en oranje accenten. Twee jongetjes bedelen bij hun oma om een ijsje, een vrouw met een felrode Human Nature-jas drinkt chocolademelk met slagroom en twee Duitsers vlak naast ons praten over voetbal – gevoelloze types.

Op het strand lijken vooral de honden zich te vermaken. De baasjes houden zich schuil achter capuchons en stormparaplu’s. Het gesprek tussen de twee heren naast ons is goed te volgen en, geloof het of niet, ze vinden het jammer dat Nederland er niet bij is volgende zomer. Vol lof zijn ze over het karakter van Klaas-Jan Hüntelaar, vol sympathie voor de jonge doelman en – kom daar nog eens om – vol vertrouwen in Danny Blind. Ik weet niet in hoeverre deze twee heren de mening van Duitsland representeren, maar van een ‘Ohne Holland!’- of ‘lachertje van de wereld’-sfeer is bij hen in ieder geval geen sprake.

Een kop koffie en een speciaalbiertje later wandelen we gearmd over de ijskoude boulevard – twee bejaarden van nog net geen dertig. En zoals altijd wanneer ik hier loop, denk ik: ik zou hier vaker moeten lopen. Het ijstentje van Pistacchio, de belachelijke ‘H’ van Hotel Noordzee, de geruststellende aanblik van de Witte Kerk: alles is hetzelfde en alles is anders. Het kost me geen moeite om ‘Mykonos’ en ‘Karalis’ te lezen waar ‘Tokyo Inn’ en ‘Friends’ staat. En zoals altijd wanneer ik hier loop, denk ik: dit is de mooiste boulevard van Nederland.

We lopen verder richting Hotel Savoy (of, zo u wilt, Villa Allegonda). Zoals het hoort zitten er oude mannetjes zwijgzaam op een bankje, stappen statig geklede kerkgangers met stevige pas voorbij en knalt een racefietser bijna op een auto met een Duits kenteken, die veel te langzaam rijdt. Alles is hetzelfde en alles is anders. De duinen zijn opnieuw getekend, met strakke lijnen en subtiele bogen. Ik wist niet dat het kon, een mooie parkeergarage, maar ik heb dan ook twee jaar lang uitgekeken op de Leidse Morspoortgarage. Geen twijfel mogelijk, die Rijnlandse Architectuurprijs is volkomen terecht: dit is het mooiste stukje kust van Nederland.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (16-10-2015)

Fan

Het is niet dat hij direct van zijn voetstuk lazert, maar toch: Dimitri Verhulst draagt crocs. Of in elk geval van die comfortschoenen die eruitzien als crocs. Het is een bloedhete dag, we zitten op het terras van een achteraftentje ergens in Gent en plots herken ik hem. Zomaar, een paar tafeltjes verderop, achter een doodordinair glas ijsthee met citroentje en geel stokje: de man van ‘De helaasheid der dingen’, de man van ‘Godverdomse dagen op een godverdomse bol’, maar bovenal: de man van ‘Mevrouw Verona daalt de heuvel af’ (mocht u nog nog een plekje hebben in de koffer…). Voor het begrip ‘fan’ vind ik mezelf met 29 jaar aan de oude kant, maar laat ik zeggen dat ik een liefhebber ben van het werk van Verhulst. Fan was ik vroeger; van Dennis Bergkamp, Jari Litmanen en Donald Duck.

“Vraag zijn handtekening dan,” spoort mijn vriendin me nog aan. Maar los van het feit dat ik die man niet wil lastigvallen op een terras: wat moet ik met een handtekening? Met een onleesbare krabbel op een bierviltje dat ik over een jaar toch kwijt ben. Had ik toevallig een van zijn boeken in mijn tas gehad, dan was het een ander verhaal, maar nee, laat die man alsjeblieft met rust. Laat hem zijn ijsthee drinken, zijn sjekkies rollen en lachen met die kerel met wie hij aan dat tafeltje zit – voor zover ik kan beoordelen geen bekende Belg, trouwens.

Dan meldt zich een vrouw met een gekke hoed aan de tafel van Verhulst. Ha, denk ik, daar heb je iemand die het minder goed heeft begrepen, zo een die is blijven steken in de Donald Duck-fase. Hoofdschuddend vraag ik me af of ze haar kinderlijke bewondering niet ergens kan steken waar niemand er last van heeft… Dan steekt ze een verhaal af, iets met trouwen en geld verdienen, en overhandigt Verhulsts tafelgenoot een fles zonnebrandcrème. De bedoeling is dat ze een stukje van haar benen insmeren, want ja, de vrouw viert – net als zo ongeveer de rest van Gent – haar vrijgezellenfeest. En ze krijgt het voor elkaar, vrijwel alle mannen op het terras smeren een deel van haar lichaam in. Men spreekt weleens van ‘ontlezing’ en misschien is dit daar de zonzijde van: een gevierd schrijver die gewoon over straat kan om de vlekkerige benen van bepaald onknappe vrouwen in te smeren. Op crocs, desnoods.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (10-07-2015)

Stacey

Ze draagt een legging als broek en rijdt op een fiets van de Postcode Loterij. Haar T-shirt reikt tot halverwege haar bovenlichaam. Stacey heet ze, tenminste, de snorscooterende dame naast haar noemt haar continu ‘Stace’. Ook zij draagt een legging; daaroverheen heeft ze een rokje met panterprint aangetrokken. Haar Nikes hebben weer een ander dierenpatroontje. Op wandeltempo rijden de twee dames vóór me, naast elkaar op de fietsstrook.

“Dus je school gaat toch niet sluiten?”

Stacey weet van niks.

“Dat was net op het nieuws. Dat ze gered zijn door de minister.”

Stacey heeft geen idee.

“Voorlopig dan. Wel beter, hoor. Je denkt: lachen, m’n school gaat dicht, maar het geeft alleen maar gedoe. Moet je ineens naar het ID College.”

Stacey is het met haar eens. Ze lijkt me niet iemand die houdt van gedoe. Eerder een meisje dat teksten als ‘Whatever’ en ‘Talk to the Hand’ draagt, keurig in witte hoofdletters op vaalzwarte sweaters gedrukt.

“Nog één schooljaar, dan ben ik er toch vanaf,” zegt ze. “Lekker werken.”

Even fietsen ze achter elkaar om een bus te laten passeren. De vriendin heeft een sticker van een Italiaanse vlag op haar scooter, met daarop de woorden ‘Ciao Bella’. Voor een tamelijk langzame scooter maakt het ding een hoop lawaai.

“Ga jij nog naar Damien vanavond?”

“Nee,” antwoordt Stacey, “Ik moet werken.”

“Balen. Hij en Roy willen uit eten gaan. Kan je je niet ziekmelden?”

Stacey kijkt omhoog. Gedoe. Ze strijkt met een hand door haar lange haar. De felblonde kleur lijkt me natuurlijk. Ze zucht en kijkt op haar horloge.

“Nou, in elk geval tot morgen, schat!” roept de ander.

De snorscooter slaat rechtsaf, Stacey en ik moeten rechtdoor.

“Ik laat het je wel weten!”

Al fietsend weet Stacey ergens uit haar minimale outfit een telefoon te tevoorschijn te halen. Met één hand aan het stuur, haar blik naar beneden gericht, verhoogt ze haar tempo.
Vraag me niet waarom, maar ik denk niet dat Stacey zich ziek gaat melden. Ik denk dat Stacey lekker gaat werken.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (26-06-2015)

De gemiddelde consument

‘De gemiddelde consument geeft in een jaar niet meer dan 40 tot 55 euro aan muziek uit.’ Het is een bijzin in een Volkskrant-artikel over de muzikale plannen van Apple, dat nadrukkelijk de concurrentie met Spotify aangaat. Ik blijf hangen bij deze constatering, die de muziekliefhebber in mij (en, oké, de materialist) buikpijn bezorgt. Het is niet helemaal duidelijk wat we mogen verstaan onder ‘uitgeven aan muziek’ – als concertbezoeken meetellen heb ik deze week, samen met zo’n 34.000 anderen, het gemiddelde voor 2015 alvast wat opgekrikt – maar laten we even aannemen dat het om de aanschaf van muziekproducten gaat. De gemiddelde consument koopt dan een cd’tje of drie per jaar of, waarschijnlijker, een album of vijf via iTunes. Op zichzelf nog weinig schokkends. Tel de twaalf tientjes die alle Spotify Premium-abonnees jaarlijks neertellen daarbij op en het wordt al wat problematischer. Als ik dan nog even ruwweg optel wat er binnen mijn vriendenkring wekelijks (laat staan maandelijks en schei al helemaal uit over jaarlijks) besteed wordt aan alleen al lp’s, dan kom ik tot de weinig wetenschappelijke maar ontluisterende conclusie dat een schrikbarend groot deel der Nederlanders nooit ook maar ene cent uitgeeft aan muziek. Gewoon nul.

Natuurlijk staat het iedereen vrij om zijn geld te besteden waaraan hij zelf wil – de financiering van kernwapens en de aanschaf van tekstbordjes met ‘home’ en ‘welcome’ even daargelaten. Waar ik me zorgen om maak is het voortbestaan van de muziekindustrie in een wereld waarin het vanzelfsprekend is dat alle beschikbare muziek continu en praktisch gratis tot ieders beschikking staat. Zeker als ik in hetzelfde artikel lees dat, ‘volgens sommige analisten’, consumenten 10 euro per maand te veel vinden. Wacht even, 10 euro per maand, waarvoor? Voor de mogelijkheid om vrijwel alle muziek ooit op deze aardkloot uitgebracht, onbeperkt af te spelen. Toegegeven: minus The Beatles en in niet-perfecte audiokwaliteit, maar hé, 10 euro! Waar moet een beroepsmuzikant ooit nog van leven als 10 euro per maand voor een onuitputtelijke voorraad albums al te veel is?

Maar nee, de gemiddelde consument geeft meer om Primark-prijzen dan om mensenrechten en is verwender dan ooit: hij heeft met Popcorn Time toch ook het volledige filmaanbod gratis tot zijn beschikking? En heeft u al verhongerde filmregisseurs op het journaal gezien? Natuurlijk, ook ik verschil niet wezenlijk van de gemiddelde consument, ook ik koop bij de H&M, ook ik stream weleens een film. Maar ik sus mijn geweten dan weer met de aankoop van een mooie 180-grams-langspeelplaat bij een van de prachtplatenzaken die Leiden rijk is, of met het bestellen van belachelijk dure concertkaarten. Die overigens in dit geval (dank u, Sir Paul) iedere cent ruimschoots waard bleken.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (12-06-2015)

Flamingo

Een restaurant dat geen restaurant is boven een casino dat geen casino is. Zo kun je Flamingo’s Partycenter in Noordwijkerhout samenvatten, al ga je dan natuurlijk voorbij aan de bowlingbaan die wel degelijk een bowlingbaan is. In plaats van het aloude steengrillen staat voor ons, spelers van SJC zondag 8, het wokken op het programma. Het concept: een lopend buffet met tamelijk willekeurige etenswaren (ik noem sushi, patat, frikandellen, gerookte zalm, aardappelgratin, taugé, champignons, kipnuggets, pastasalade, biefstuk, sliptong en saté) waarvan een deel ter plekke voor je wordt gewokt en een ander deel zo, in al zijn lauwwarmigheid, naar binnen kan worden geschoven. Al met al heb ik aardig wat gerechten geprobeerd en ik moet zeggen: de sushi is best te eten.

Behalve het all-you-can-eatprincipe heeft dit soort gelegenheden (restaurants die geen restaurants zijn – of het nu gaat om flamingo’s of toekans) vaak nog een belangrijk troef, namelijk het all-you-can-drinkprincipe. Op een A4’tje dat verstopt is tussen de kassa en de garderobe staan wel wat beperkingen van beide principes opgesomd (iets met een tijdslimiet en een maximum aan consumpties op tafel) maar ik heb niet de indruk dat het personeel hiervan op de hoogte is. Ons wordt in elk geval geen ronde ontzegd en ook de familiefeesten, vrijgezellenavonden en overige lollige uitjes om ons heen lijken niet verstoord te worden door al te kinderachtige obers of serveersters. Af en aan lopen ze met volle dienbladen bier; geen gelegenheid onbenut latend om op de terugweg een half leeggegeten bord van tafel mee te pakken.

Hoe verleidelijk het ook is je helemaal scheel te eten aan satégehaktballetjes, gewokte gamba’s en rauwe tonijn in sojasaus, in dit soort etablissementen dien je altijd ruimte over te houden voor het dessert, dat over het algemeen bestaat uit nét te harde stukjes meloen, wittige aardbeien en bijna ontdooide slagroomsoesjes. Godzijdank blijven ons vandaag de door applaus begeleide ijsschalen met vuurwerk bespaard en ik moet zeggen: de mini-brownies zijn best te eten. Een kopje koffie nog en dan kunnen we het tevoren vastgestelde bedrag afrekenen. De contanten die resteren zullen later op de avond onherroepelijk worden vergokt in het casino dat geen casino is, want zo gaan die dingen.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (22-05-2015)

Marktplaats

‘Is Deze Toestel Nog Beschikbaar En Kan Ik Hem Overnemen Als Ik Je 65 Bied?’ De snelste manier om je een beeld te vormen van de mensheid anno 2015: plaats een advertentie op Marktplaats.nl. De reacties die binnenkomen hangen natuurlijk ook af van het product dat je aanbiedt – mijn advertentiegeschiedenis omvat vooral afgedankte meubelen, overtollige boeken en uit de gratie geraakte mobiele telefoons – maar ik geniet van vrijwel iedere reactie. Een bod is fijn, een mail met een vraag is een feest.

Deze reactie ontving ik op een advertentie waarmee ik mijn oude smartphone hoopte te verkopen: ‘Beste M. van Lith, HP Compaq 6910P laptop. Is verder in zeer nette staat, en is weinig gebruikt! Ik wil wel ruilen! Graag reactie terug!’ Let wel: nergens in de advertentie heb ik de mogelijkheid van ruilhanden geopperd, laat staan dat ik een eventuele voorkeur heb uitgesproken voor een HP Compaq 6910P. Gewoon, een keurige advertentie met productbeschrijving, conditie (zo goed als nieuw!) en vraagprijs. En dan zo’n mail… Nog steeds laat het woord ‘verder’ me niet los.

Al even aandoenlijk zijn de figuren die rustig de helft van de vraagprijs bieden en dan vragen hoe laat ze het product mogen ophalen, de stakkers die, hoewel op drie verschillende plaatsen de boodschap ‘op te halen in Leiden’ te lezen valt, toch even informeren of ik niet toevallig nog op een dinsdagavond in Abcoude of Hellevoetsluis moet zijn, en niet te vergeten de treurwilgen die je via Whatsapp (want dat doet dat volk!) bedelven onder een modderstroom aan vragen waarvan het antwoord in begrijpelijk Nederlands in de advertentie is opgenomen. Dikgedrukt.

Natuurlijk tref je ook in het Marktplaats-universum mensen aan die kunnen lezen, die keurige bedragen bieden en die aan de telefoon niet klinken alsof ze net hun verstandskiezen hebben laten trekken. Vreselijk saai natuurlijk, maar dankzij deze mensen kom ik wel tegen een redelijke vergoeding van mijn iPhones, Kallax-kasten en dubbele Reve’s af. En, voor wie geen producten aan te bieden heeft, de op één na snelste manier om je een beeld te vormen van de mensheid anno 2015: bladeren door advertenties op Marktplaats.nl.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (15-05-2015)

Trivia

De veerboot Harlingen – Terschelling. Aan het tafeltje naast ons zit een vrouw die al een kwartier lang quizvragen en -antwoorden opleest. Ze heeft paars haar en op haar shirt staat ‘Natural Beauty’. Van de man naast haar, die een Feyenoord-polo aan heeft, heb ik nog geen reactie geregistreerd. Hij bladert op zijn dooie gemak in een Voetbal International. ‘Welke film is niet van Disney?’ Ze noemt vier films, de man schudt zijn hoofd. Ze gokt verkeerd en vloekt zachtjes.

Ook aan de andere kant van het gangpad heb ik al mensen de Trivia Crack-app zien gebruiken, die dankzij het veelkleurige rad met categorieën goed herkenbaar is. Het is Triviant (pardon: Trivial Pursuit) anno 2015. Of, zoals het in een IQ-test zou worden geformuleerd, ‘Scrabble staat tot WordFeud als Trivial Pursuit staat tot…’. Het voordeel van de app is dat je een spelletje Triviant kunt spelen zonder dat er minimaal vier personen lijfelijk aanwezig dienen te zijn. Het nadeel van de app is dat deze vooral gebruikt wordt door mensen als de vrouw met het paarse haar.

‘Hans! Welke voetbalclub komt uit Breda? NAC of NEC?’ Voor het eerst zie ik de man opkijken. ‘NAC. En het is ‘N-E-C!’. Vertwijfeling in de ogen van de vrouw. ‘Maar wat is het nou het antwoord? Ik heb nog maar een paar seconden!’ De man lacht. ‘NAC’, herhaalt hij. Zijn vrouw kijkt tevreden.

Dan maakt de veerboot een plotselinge wending – turbulentie op de Waddenzee. Zij slaakt een gilletje, net als verschillende andere passagiers. Servies klettert van dienbladen, patat verzuipt in een laag cola light. De man leest rustig verder in zijn VI terwijl zijn vrouw met haar hoofd tegen het houten tafeltje slaat. Als de boot weer tot rust is gekomen, blijft ze enkele seconden liggen. De Feyenoord-man besluit toch maar de schade op te nemen. ‘Gaat het, schatje?’ Ze tilt haar hoofd op, dat inmiddels de kleur van haar kapsel benadert. ‘Nee, het gaat niet!’ Ze laat het hoofd weer zakken. ‘Door die golf klikte ik verkeerd!’ Zonder iets te zeggen gaat de man weer zitten met zijn tijdschrift. Het servies is bijeengeraapt, iedereen zit weer op zijn plek. Alles is precies zoals een paar minuten geleden. Behalve de paarse vrouw – die houdt haar mond.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (17-04-2015)

Snuffelmarkt

Een beverige vrouw schenkt koffie voor theeliefhebbers. Zondagmiddag, een goed bezochte snuffelmarkt. Alsof je je op 2 oktober door het Leidse centrum wurmt, maar dan zonder het risico om in elkaar gebeukt te worden. De vrouw zet twee kopjes koffie neer, wijst op een pot Completa en verdwijnt weer. Haar benen kunnen ieder moment knakken. Ik zie de bodem van het kopje door de koffie heen en besluit voor het eerst van mijn leven melkpoeder te gebruiken – dit tot grote hilariteit van mijn vriendin.

Op een veel te groot podium brengt een jongen met Vlaamse tongval nummers van Neil Young en Bob Dylan ten gehore. Geen mens die op hem let. De geluidsinstallatie is van een dusdanige kwaliteit dat Marilyn Manson een complete set had kunnen spelen zonder ook maar één snuffelmarktbezoeker weg te jagen. Tussen twee nummers door vertelt de jongen dat hij uit Gent komt en dat ze daar ook een rommelmarkt hebben. Al kan het ook zijn dat hij om een nieuw flesje water vraagt.

Als onze kopjes leeg zijn, brengt de vrouw nog een suikerpot. Een klassiek glazen geval met heel veel zijden en een metalen tuutje. Zwijgzwaam schenkt ze ons bij, vervaarlijk leunend op een van haar flamingopootjes. Heel even kijkt ze naar het podium, dan loopt ze weer bij ons vandaan. Je zou het zweven kunnen noemen als ze het wat sierlijker deed. Haar achterkant helpt ook niet: waar de meeste mensen billen hebben, houdt bij haar gewoon haar rug op.

Voordat de vrouw ons opnieuw kan bijschenken, lossen we op in de schuifelende massa. We komen vlak langs een enorme speaker terwijl de jongen een nieuw nummer inzet. Make You Feel My Love. Ik hoor hem nog net zeggen dat dit nummer niet van Adele is. Maar het kan ook zijn dat hij om een kopje koffie vraagt.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (27-03-2015)

Page 4 of 6

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén