Autoverkoper

Als je op Google ‘autoverkopers’ intypt, is de eerste suggestie die de zoekmachine geeft ‘autoverkopers onbetrouwbaar’. Geheel onbevooroordeeld loop ik richting de sectie ‘occasions’ van de Toyota-dealer, met in mijn kielzog mijn geliefde (voor de broodnodige bezinning) en mijn ouders (voor de broodnodige expertise). Ik heb me inmiddels aangeleerd bij de aanschaf van een auto minder impulsief te zijn dan bij het scoren van nieuwe sneakers of een overhemd, maar voor de zekerheid omring ik me graag met wat dierbaren – je weet maar nooit wat zo’n gladjanus je anders aansmeert, nietwaar?

Nadat ik me al een minuut of tien tussen de oerdegelijke Yarissen en overdreven compacte Aygo’s doorwurm op zoek naar die leuke Fiat Grande Punto die ik had gezien, meldt zich dan toch de verkoper. Een kleine man van een jaar of vijftig in een geruit overhemd zonder das – meer een postzegelverzamelaar dan een autoverkoper. Nadat hij ons heeft begroet en de Punto heeft aangewezen (“Leuk bakkie inderdaad”) staat hij vooral zwijgend toe te kijken. Enigszins trots op mijn kritische blik wijs ik mijn hulptroepen op wat kleine schade aan de achterkant van de auto. “Hmm, ja,” mompelt de verkoper. “Kunnen we lijmen.” Hij wrijft er wat met zijn vingers over; mijn blik valt op zijn enorme trouwring. “Ja, kunnen we lijmen.” Zijn schoenen zijn Ecco’s.

Na de proefrit is het moment daar: sterk zijn nu, geen ruimte laten voor twijfel. “We slapen er nog een nachtje over.” Ik zet me schrap, verwacht een tegenzet, een aanbod dat we niet kunnen afslaan. Iets met rijklaarkosten en het wegvallen daarvan, misschien een slap verhaal over garantie en grote beurten, of desnoods een gratis EHBO-setje. Niets daarvan. De man knikt, overhandigt me zijn kaartje en sluit af met “Ik hoor het graag.” Lichtelijk verward verlaat ik de Toyota-dealer, mijn dierbaren in mijn kielzog.

“Leuk bakkie toch?”

– “Ja, leuk bakkie.”

Wanneer ik thuis google op ‘autoverkopers onbetrouwbaar’, stuit ik op enkele interessante weetjes. Zo blijken autoverkopers de meest gewantrouwde beroepsgroep onder Nederlanders. Zelfs advocaten en politieagenten vinden we veel betrouwbaarder. De enige beroepen die qua onbetrouwbaarheid in de buurt komen, zijn politici en journalisten.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (15-04-2016)

Verkeren

Foreholte uit, de eerste warme dag van het jaar. Met een zwaarbevochten 4-4 in de tas keren de heren van SJC 7 huiswaarts. Op de Leidsevaart is het druk in de richting van het strand. Een man in een grijze Volvo gebaart dat ik er wat hem betreft door mag en tussen het inmiddels geheel stilstaande verkeer door sla ik linksaf richting Leiden. Als ik de Volvo nauwelijks voorbij ben, schiet er een motorrijder tevoorschijn die juist bezig was de file over de verkeerde weghelft in te halen. Hij wijkt uit, schampt mijn rechtervoorkant en weet wonderwel op het droge te blijven. De vrouw die achteropzat – naar later blijkt zijn dochter – maakt nog de grootste smak.

Zo mag ik in mijn 31e levensjaar weer eens een ‘first’ bijschrijven: mijn eerste aanrijding. Wat het verdict precies gaat worden voor mijn 17-jarige Renault Clio is bij het ter perse gaan van deze column nog niet duidelijk, maar in dit soort gevallen hoor je volgens mij te zeggen dat het een stuk slechter had kunnen aflopen. Je zou kunnen zeggen dat het een stuk beter was afgelopen als de scheidsrechter twee minuten eerder had afgefloten, maar dat vind ik flauw. Zo’n man is vrijwilliger. Bovendien hadden we dan die 4-4 niet meer gemaakt. Nee, al met al is het behoorlijk goed afgelopen. Blikschade, onhandige handjes (“toch nog een fijne dag”) en betrokkenen met een verhaal voor de maandag.

Die avond lees ik op Facebook een bericht: ‘Getuigen gezocht’. Iemand heeft op een zebrapad op de Burggravenlaan in Leiden twee jongetjes aangereden. Het gaat om een lange man, zestigplus, grijs haar en een klein rond brilletje. Ten overvloede wordt nog vermeld dat hij in een Volvo V70 rijdt. De jongens, negen en tien jaar oud, hebben kneuzingen en schaafwonden. De man is kort uitgestapt en toen vlot weer doorgereden. Aai over de bol, lak checken en gaan. Radio 4 aan, airco op 6 en dan thuis nog maar eens kijken of die jongens zijn wagen echt niet hebben beschadigd. Zul je zien dat hij morgen langs de dealer moet met die bak.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (08-04-2016)

Achterklap

Computerspellen hebben me zelden echt geïnteresseerd, roken heb ik nooit lekker gevonden en drugsdealers hebben geen stuiver aan me kunnen verdienen. Zelfs met het nieuwste seizoen van House of Cards kan ik me redelijk inhouden. Nee, aan mij is geen verslaafde verloren gegaan. Toch begin ik me de laatste dagen zorgen te maken.

Het begon met de volgende kop op Nu.nl: ‘Rechter Frank Visser lacht “eigenlijk de hele dag”‘. Ik besloot hierop te klikken – ook mijn wegen zijn soms ondoorgrondelijk. ‘Frank Visser, jarenlang bekend als De Rijdende Rechter, vindt humor heel belangrijk’ las ik. Poeh hé. ‘Zelf moet hij “eigenlijk de hele dag” lachen.’ Op dit punt moest ik even bijkomen. Nieuws over Syrische kindertjes, gestoorde Noren of stervende dolfijnen neem ik zonder emotie tot me, maar als het gaat om menselijke trekjes bij bekende Nederlanders ben ik een gevoelige jongen.

Maar het was nog niet gedaan met de nieuwswaarde. Zo leerde ik dat de tv-rechter humor de allerbelangrijkste eigenschap van een partner vindt en dat hij nog nooit in het openbaar heeft gehuild. Ik weet niet of dit telt als huilen in het openbaar, maar u mag best weten dat ik op dit punt vocht tegen de tranen. Als ik op dat moment mijn nog droge laptop had dichtgeklapt, was er weinig aan de hand geweest. Helaas, ik klikte op ‘Achterklap’. Veruit het mooiste woord waarmee ooit een beerput is geopend, maar die lucht…

‘Ruben Nicolai vindt kinderen opvoeden niet moeilijk’. ‘Anna Drijver houdt niet zo van aangestaard worden in de trein.’ ‘Liza Sips [geen idee] heeft nog nooit ruzie gehad met haar vriend’. ‘Jet van Nieuwkerk zweert superfoods af’. ‘Max Verstappen vindt zichzelf ingetogen.’ En, mijn favoriet tot nu toe: ‘Peter R. De Vries had eerste seksuele ervaring graag eerder opgedaan.’ De oogst van een middagje – en dan bespaar ik u nog dat Peter Buwalda niet bevriend kan zijn met vrouwen en dat Peter Pannekoek vermoedt dat zijn achternaam in zijn voordeel werkt.

En zo houd ik me al enkele dagen bezig met wat weleens mijn eerste verslaving zou kunnen worden. Natuurlijk, het klinkt simpel: je hoeft het niet te lezen. Ook kwaliteitskranten hebben een website, dat snap ik ook wel. Wie denkt dat het zo simpel is, heeft zelf nooit een verslaving gehad.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (18-03-2016)

(I’ve Had) The Time of my Life

In de hoek van Café 80’s, op een piepklein podium, staat een meisje te dansen. Of beter gezegd: ze steekt de armen één voor één opzij, buigt haar knieën en draait dan een rondje. Dit alles in een tempo dat de gemiddelde kijker van Nederland in Beweging geen zorgen zou baren. Haar netkousen en minimalistische topje ten spijt is het vooral haar oogopslag die me opvalt: alsof ze btw-aangifte doet. Na precies een half uur wordt ze afgewisseld door een collega met dezelfde blik in de ogen. Het zal in de functieomschrijving staan.

Verderop in de Praagse 80’s-bar staat een jongen in een te groot grijs overhemd aan een rietje te lurken. De vorm van zijn gezicht verraadt dat hij niet ver van huis is – of is het zijn montuur? Als een van de weinige aanwezigen heeft hij geen oog voor de danseres, althans: niet voor die op het podium. Zijn volledige aandacht gaat uit naar een blondine in een spijkerbroek waar ze zonder schaar niet uit gaat komen. Het moet gezegd: ze danst ook een stuk beter dan het meisje op het podium. Ze mag dan een paar decennia ouder zijn, ze gooit haar benen in de lucht alsof ze de eerste woorden van (I’ve Had) The Time Of My Life hoogstpersoonlijk tussen haakjes heeft gezet.

Het eerste dansmeisje keert terug op het podium met nog iets minder kleding aan haar lijf. Het ontgaat de jongen. Per jarentachtighit komt hij iets dichter bij zijn eigen danseres staan. Bij Livin’ on A Prayer gaat het opvallen, tijdens I Want to Break Free kan ze geen kant meer op. Er is oogcontact, haar ogen verraden niets. De stand van haar mond is die van Matthijs van Nieuwkerk die net een vraag heeft gesteld.

De jongen zet zijn cola op een tafeltje neer, gooit er een luchtgitaarsolo uit en zigzagt naar haar toe. Heel voorzichtig plaatst hij zijn handen net boven haar spijkerbroek. Haar ogen schieten even naar beneden, maar ze laat hem. Straks, tijdens een nummer van Cindy Lauper of Rick Astley, zullen zijn handen langzaam zakken. Zij zal hem aankijken, glimlachen en zijn hand gedecideerd terugschuiven. Al kan het ook een nummer van Bonnie Tyler zijn.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (26-02-2016)

(Ver)rekken

De winter wil maar geen winter worden en ik lach me rot. Over zo’n twaalf weken vindt namelijk de Rotterdam Marathon plaats en zoals een enkele trouwe lezer wellicht is opgevallen, heb ik me daarvoor ingeschreven. Tot nu toe lukt het me goed om drie keer per week een behoorlijke training af te leggen, niet in de laatste plaats dankzij het bijzonder zachte weer. De extra dikke sportjasjes, de thermoshirts en de handschoenen die zo dun zijn dat een iPhone-scherm ze niet opmerkt (en toch lekker warm), ze kunnen in de kast blijven. De voornaamste zorg tot nu toe: met welk shirt krijg ik het niet te warm?

Tot die vriendelijke Peter Kuipers Munneke voor de komende dagen ineens met mintekens aan kwam zetten. Oké, vooralsnog lijkt het alleen ’s nachts te gaan vriezen, maar toch, ik zie mezelf al glijden. Gelukkig zijn er de nodige hardloopwebsites te vinden met tips, die variëren van engiszins nuttig (‘draag meerdere lagen’, ‘loop eerst tegen de wind in’) tot tamelijk stompzinnig (‘glijd niet uit’, ‘kies voor de loopband’ en ‘neem een lekker warm ontbijt voor je gaat rennen’). Over het nut van een warming-up en het aloude rekken en strekken blijken de meningen uiteen te lopen.

Misschien is het een overblijfsel uit mijn tijd in de vermaarde jeugdopleiding van vv Katwijk, maar ik heb het belang van rekken en strekken altijd als volstrekt vanzelfsprekend ervaren. Eenmaal aangekomen in de kelder van het recreantenvoetbal schrapte ik weliswaar al snel de vervelendste vorm uit mijn repertoire (naar voren buigen om, in theorie, de tenen aan te raken) de overige oefeningen bleef ik trouw uitvoeren. Terwijl de rest van het bierteam op het doel aan het rossen was (of in elk geval een poging deed), stond ik met één of twee andere serieuze types getrouw de achillespezen op spanning te brengen. Dat hier juist de heren bij elkaar stonden die het vaakst geblesseerd waren, merkte ik pas jaren later op.

Ook voorafgaand aan het hardlopen wil ik mijn lichaam nog weleens in een strekstand forceren. Maar zoals dat gaat met dingen als brood, chiazaadjes, rood vlees, rode wijn, zitten op kantoor, staan op kantoor, koffie, thee, cola light en rekken en strekken: het ene moment is het de nieuwe religie, het volgende moment maakt het meer slachtoffers dan roken en de Amerikaanse politie samen. Uit onderzoek blijkt namelijk, zo las ik, dat rekken niet helpt tegen spierpijn. Het vergroot ook het vermogen van spieren niet, sterker nog: als gevolg van het rekken kunnen de spieren juist minder kracht leveren. Al met al heeft het op z’n best een psychologisch effect. Met andere woorden: wij trouwe rekkers hadden maar beter een paar ballen richting doel of cornervlag kunnen poeieren. Voor mijn hardloopcarrière is het nog niet te laat, dus trek ik de komende dagen een extra dik hardloopjack uit de kast, hijs me in een thermolaag en doe de iPhone-vriendelijke handschoentjes aan. En dan maar hopen dat ik het niet te warm krijg.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (15-01-2016)

The Force Awakens

Ik durf er best voor uit te komen: tot enkele weken geleden had ik geen idee wie of wat C-3PO, Jabba the Hutt en de Millennium Falcon waren. Van Stormtroopers had ik wel een beeld, net zoals ik een vage notie had van namen als Luke Skywalker, Darth Vader en Han Solo. Maar hoe ze eruitzagen, wat hun rol was en in hoeverre ze afweken van de figuren uit Star Trek? Ik had het je niet kunnen vertellen. Mijn ervaring met science fiction – al mag je Star Wars, geloof ik, niet zo noemen – was beperkt gebleven tot 2001 A Space Oddyssey. En ook met fantasy – al mag je Star Wars, geloof ik, niet zo noemen – was ik blijven steken ergens tussen Lord of the Rings III en de eerste Harry Potter.

Tot het aanbod kwam om met een stel collega’s naar The Force Awakens te gaan, deel 7 uit de Star Wars-reeks. Een mooie gelegenheid om de schade in te halen, leek me. Van alle kanten kreeg ik te horen welke delen ik dan zeker eerst gezien moest hebben (en in welke volgorde, want basale wetten als ‘we beginnen bij 1’ en ‘4 komt na 3’ blijken in het Star Wars-universum allerminst zekerheidjes). Goed, het kwam erop neer dat ik precies twee dagen de tijd had om de delen vier tot en met zes te bekijken – de eerste drie konden altijd nog. Er waren er zelfs die fluisterden dat je die best helemaal kon overslaan.

Daar zat ik dan, op een lenteochtend in december, klaar om Star Wars Episode IV: A New Hope te bekijken. Had ik verwachtingen? Ik weet het niet meer zo goed. Hoe je het ook wendt of keert, het is wel Star Wars, een imperium op zichzelf. Het is er, en het lijkt er altijd geweest. Al na drie minuten wist ik niet beter of ik had R2-D2 en C-3PO een jeugd lang, tongetje in de mondhoek, zitten natekenen. Weer een paar minuten later wist ik zeker dat ik me ieder jaar voor carnaval in een Stormtrooper-pak had gehesen. Echt waar, ik zat te genieten, ook al was de verhaallijn dunner dan het dvd’tje, leken de graphics wel uit 1977 te komen en kuchte mijn vriendin (nota bene Harry Potter-fan) van tijd tot tijd in mijn oor dat het allemaal zo ongeloofwaardig was.

Twee dagen en zo’n 6,5 uur Star Wars later, zat ik er klaar voor in de bioscoop. Het aantal uitgedoste freaks viel me eerlijk gezegd zwaar tegen: geen Stormtrooper of lightsaber te zien. Maar wederom was het genieten, ook al werd de verhaallijn er niet dikker op, het 3D-beeld er niet scherper op en Harrison Ford er niet jonger op. Star Wars, weet ik nu, dat is geen sci-fi, dat is geen fantasy. Star Wars is cult, maar dan heel erg groot.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (08-01-2016)

Wilders en Klaver

#kominverzet

‘Allemaal het land uit. Vechten doen ze maar thuis in hun eigen land. Niet hier.’ Zo reageerde een Nederlandse politicus op het bericht van een vechtpartij in een noodopvang voor vluchtelingen in Apeldoorn. Niet zomaar een politicus, nee, de man die voor de derde keer in vijf jaar door het EenVandaag Opiniepanel werd verkozen tot Politicus van het Jaar. Inderdaad, Geert Wilders. Enkele andere smaakvolle tweets die hij verstuurde: ‘Grenzen dicht voor asielzoekers. Nederland is van ons’, ‘Islam is het probleem’ en de instant-klassieker ‘Politiek en pers kunnen de rambam krijgen. (…) Sukkels.’

Ja, onze Geert, die voelt zo lekker aan wat er speelt in het land. Die begrijpt de zorgen van de Nederlander. Want dat is, als ik ‘de pers’ tenminste goed heb begrepen, de kracht van Geert: hij erkent de angst die mensen hebben. Dat ‘erkennen’ lijkt me in dit geval nogal een understatement – ik zou eerder spreken van ‘aanwakkeren’ of ‘uitbuiten’ – maar daar gaat het even niet om. De mensen voelen zich begrepen door Geert. Dat hij weinig voor ze kan betekenen en niet verder komt dan loze kreten als ‘grenzen dicht’ en ‘stop de islamisering’ is hem vergeven. En oproepen tot haat? Aanzetten tot geweld? Welnee. De mensen hebben het te letterlijk opgevat, dat #kominverzet. ‘Geweldloos’, dat had hij erbij gezegd. Of erbij bedóeld, eigenlijk. Twitter is een lastig medium voor een genuanceerd man als Geert Wilders.

Wat mij betreft is het hele politieke jaar 2015 gevat in één YouTube-filmpje van iets meer dan twee minuten, waarin de politicus van het jaar en snotneus Jesse Klaver elkaar lijstjes voorlezen. U hebt het vast al gezien, maar zo niet: bekijk het en oordeel zelf. Dat Geert Wilders ook in 2015 de favoriet is van het EenVandaag-panel, zegt veel over ons land. Wilt u ook in 2016 gebruikmaken van uw democratisch recht, dan raad ik u aan raadszalen te bezetten, hakenkruizen op burgemeesterswoningen te kalken en hier en daar een moskee of azc in de fik te zetten. Maar wel geweldloos, hè? Gelukkig nieuwjaar!

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (31-12-2015)

volkswagen

Sjoemelen

‘Sjoemelsoftware’ is het woord van 2015. In de verkiezing van Van Dale eindigde het met bijna de helft van de stemmen ruimschoots boven nummer twee ‘poortjesspringer’ en nummer drie (en vier?) ‘je suis …’. Ook het Genootschap Onze Taal kroonde ‘sjoemelsoftware’ tot woord van het jaar. Wat mij betreft volkomen terecht, in de eerste plaats omdat het zo heerlijk bekt: al bij de eerste lettergrepen waan ik me in een sjtetl met een bordje matsebrei. Bovendien leent ‘sjoemel’ zich uitstekend om nieuwe samenstellingen mee te maken. Zo konden we in het kielzog van ‘sjoemelsoftware’ al vondsten als ‘sjoemeldiesel’, ‘sjoemelmotor’ en ‘sjoemel-Volkswagen’ noteren en is het wachten tot de eerste sjoemelstudenten, sjoemelsenatoren en sjoemelsenioren in de krant verschijnen.

Ook inhoudelijk geeft ‘sjoemelen’ het sentiment van 2015 aardig weer. Natuurlijk, het heeft dankzij terrorisme-, vluchtelingen- en aardgasproblematiek zijn meerdere moeten erkennen in de begrippen ‘angst’ en ‘beven’, maar niettemin werd er een hoop gesjoemeld dit jaar. Ik noem een Henk Krol, een Ivo Opstelten en praktisch iedere voetbalbond. Maar ook door onderwijsinstellingen, spoorwegbeheerders en thuiszorginstellingen werd er lustig op los gesjoemeld.

Maar misschien wel de belangrijkste kwaliteit van het woord ‘sjoemelen’: het reduceert de grootste crimineel tot een kattenfilmpjeskijker in rendiertrui. Want zeg nou zelf: frauderen, belazeren, oplichten, smokkelen, rotzooien of zelfs knoeien… Het klinkt allemaal lang niet zo vertederend als sjoemelen, dat niet zozeer juridische vervolging, kamervragen of gevangenisstraf oproept, maar toch vooral een gevoel van ‘foei’ en ‘niet meer doen hè, gekkie’.

Een uitverkiezing tot woord van het jaar, of het nu door Van Dale of Onze Taal is, betekent overigens geen garantie op overleving. Of gebruikt u nog regelmatig de woorden ‘generatiepact’ (2005) en ‘dagobertducktaks’ (2015)? Natuurlijk, blijvertjes zijn er ook: ‘plofkip’, ‘weigerambtenaar’ en ‘selfie’ lijken zich aardig te handhaven. Om het voortbestaan van de sjoemelwoorden veilig te stellen, zit er maar één ding op: ook in 2016 zal er het nodige geprutst, geritseld en gezwendeld moeten worden. Aan politici, bestuurders, bankiers en eigenlijk aan alle Nederlanders dus de schone taak om zich in het nieuwe jaar niet te veel gelegen te laten liggen aan regeltjes, fatsoen en (getverderrie) moraal. Nee! Groot durven denken, investeren, over de grenzen heen kijken… Die ROC-mentaliteit! Toch?

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (18-12-2015)

Dichtbij

“Het komt allemaal wel heel dichtbij, hè,” zegt de vrouw, terwijl ze drie zoetjes in haar koffie laat vallen. Er volgt iets wat bedoeld zal zijn als een betekenisvolle stilte. De man tegenover haar bromt iets: dat ze gelijk heeft, dat het onvoorstelbaar is, dat ze nu toch echt even haar grote smoel moet houden – ik heb geen idee, hij wordt overstemd door een koffiemaler. Dat krijg je in een koffietentje dat zo hip is dat er uitsluitend filterkoffie wordt geserveerd. In plaats van het gebruikelijke glimmende espresso-slagschip staan hier ouderwetse koffiezetapparaten, opschenkkannen en filterhouders op de toonbank.

“Stel je eens voor wat er gebeurd was als die man dat voetbalstadion in was gekomen,” gaat de vrouw verder. Ze schudt langzaam haar hoofd. De man roert in zijn koffie – hoeveel zoetjes zal hij erin hebben? “Ik stel het me juist liever niet voor.” Hij pakt de menukaart erbij. Een mens wordt nu eenmaal vrolijker van worteltaart met walnoten dan van bomgordels. Terwijl de vrouw haar zorgen één voor één uitspreekt en de man haar zo goed en zo kwaad als het gaat geruststelt, probeer ik me te concentreren op de smaak van de koffie. De barista van dienst heeft me net verteld dat dankzij het extra lange zetproces alle aroma’s volledig tot hun recht komen. Ik geloof ‘m.

“Ik weet niet wat ik zou hebben gedaan, hoor.” Ze kijkt uit het raam. Het is een vraag die ik mezelf ook vaak stel, waarschijnlijk iedereen wel: hoe zou ik reageren? Hoe koelbloedig zou ik zijn, op een schaal van Pietje Paniek tot Adel Termos? Die laatste, het is u vast niet ontgaan, wierp zich in Beiroet op een naderende terrorist en redde daarmee vele levens, waaronder dat van zijn dochter. Het antwoord is natuurlijk nooit te geven, tenzij… Verrek, ze hebben ook lemon cheesecake. Ik wenk de serveerster.

“Dat weet je nooit,” zegt de man – diep gebogen over het restje onderin zijn kleine koffieglaasje. De vrouw staart nog altijd naar buiten, ze lijkt het niet te horen. “Nee, dat weet je nooit.”

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (20-11-2015)

Handen wassen

‘Ik ga even mijn handen wassen…’ Behalve de vent die bij elke slok glunderend uitriep ‘Vis moet zwemmen, nietwaar?’, heb ik nooit een ergerlijker figuur gekend dan de vrouw die even haar handen ging wassen. De eerste keer dat ze het zei, dacht ik dat ze plakkerige handen zou hebben. Misschien vanwege gemorste koffie, of door het eten van een tompoes zonder dat er servetten in de buurt zijn. Kan gebeuren. Maar ze had geen plakhanden, ze at al helemaal geen tompoezen: ze was de vrouw die even haar handen ging wassen. Haar gezicht had een vreemde, wittige glans en haar lippen hadden de kleur van verlopen filet américain. Als je dicht genoeg bij haar gezicht stond, kon je de blonde haren op haar kin tellen.

De vrouw die even haar handen ging wassen werkte in de schoolbibliotheek. Ze hield meer van boeken dan van kinderen, zo merkten ook de leerlingen: ze was de strengste vrouw in het gebouw. Vooral vlekken, daar moest ze niets van hebben. Hoofdschuddend noteerde ze dan voorin het boek ‘Vlekken op titelblad’. Of, als het boek echt niet meer te redden was, drukte ze de stempel ‘afgeschreven’ op de eerste pagina – in rode letters, die in de loop der jaren roze zouden worden.

Het zou allemaal niet zo’n ramp zijn geweest als die bibliotheek wat langer open was geweest. Maar nu hing die vrouw de halve dag rond in de docentenkamer, waar ze theedronk, tegen collega’s aanpraatte en onduidelijke handelingen verrichte met stapeltjes bibliotheekboeken. En waar ze zo’n drieëntwintig keer per dag aankondigde even haar handen te gaan wassen. Welbeschouwd moest het er een keer van komen.

Het was een vrijdagmiddag, het liep al tegen vijven en de school was uitgestorven. Ik maakte me op om naar huis te gaan, toen ze haar hoofd om de deur van de docentenkamer stak. “Niet afsluiten hoor, ik ga nog even m’n handen wassen.” Ik had kunnen besluiten de volgende dag ontslag te nemen, ik had briesend maar geduldig tot tien kunnen tellen, ik had haar in alle rust kunnen vertellen: “Luister eens even, dat jij hier de halve dag in de baas z’n tijd zit te schijten moet je zelf weten, maar dat gehandenwas van je komt me nu m’n strot uit.” Maar dat deed ik niet. Ik ben zachtjes de trap afgelopen, heb de alarmcode ingetoetst en de deur vergrendeld. Hoe ze eruit is gekomen weet ik niet, maar de rest van het schooljaar heb ik geen last meer van haar gehad.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (23-10-2015)