‘Can we have your liver?’

Laat ik optimistisch beginnen: er wordt in elk geval over orgaandonatie gesproken. Als het nipt aangenomen voorstel van D66’er Pia Dijkstra tot nu toe iets heeft aangetoond, is het wel dat het onderwerp leeft. Pure winst, ook als het plan niet door de Eerste Kamer komt. Hoe meer mensen een weloverwogen keuze maken, hoe minder dilemma’s dat oplevert voor artsen en nabestaanden. Als het meezit, zitten er nog wat extra ja’s tussen. Maar de reacties op de Kamermeerderheid waren hier en daar stuitend.

Mensen die al jaren donor zijn, verklaren doodleuk een ‘nee’ te gaan registreren omdat ze geen eigen keuze meer kunnen maken. Denkt u daar nog eens rustig over na; redeneren voor gevorderden. Aan de andere kant roepen trotse donors dat ‘wie zelf niet doneert, ook geen organen van mij krijgt’. Het recht op gezondheid geldt kennelijk alleen voor gelijkgestemden.

Op een opiniewebsite die om onduidelijke redenen de ondertitel ‘Voorbij het eigen gelijk’ draagt, geeft men een handig stappenplan om ‘uw organen weg te houden bij de D66-organenrovers’. Waarom? ‘Omdat u geen slaaf bent, ook niet na de dood, en omdat u ook geen oogklepdragend schaap in de deugende kudde van moralistische volgzame burgerschaapjes bent.’ Juist, ja. Maar wel even braaf dit stappenplan volgen en u registreren als niet-donor, omdat deze boze meneer het zegt. En daarna een biertje pakken en proosten op uw onafhankelijk denkende zelf.

U had het al geraden, ik ben voorstander van dit wetsvoorstel. De voornaamste klacht, het verlies van zelfbeschikking, vind ik niet opwegen tegen de levens die gered kunnen worden. Daarnaast: als die zelfbeschikking zo’n belangrijk principe is, waarom hoor ik daar dan in het huidige opt-in-systeem niemand over? Ook nu dient ‘de staat’ een afweging te maken bij mensen die niets hebben ingevuld, zij het dat deze vaker tot een ‘niet-doneren’ zal leiden. Maar het ging om het principe, toch?

Voor de duidelijkheid: dat mensen hun organen niet willen afstaan, dat snap ik. Uit geloofsovertuiging, bijvoorbeeld, of omdat je het een naar idee vindt dat er na je dood aan je lijf geprutst wordt. Prima, vul je ‘nee’ in. Dat je op je hoede bent voor doorgeslagen overheidsbemoeienis, lijkt me ook terecht. Maar geloven we echt dat er straks massaal organen geroofd gaan worden? Dat Tante Pia en Ome Alexander straks in witte jassen aan de deur staan als in Monty Python’s The Meaning of Life? Zou het verschil tussen een ‘nee, tenzij’ en een ja, tenzij’ echt zo groot zijn? Dan heb ik de horrorverhalen uit België, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Spanje en Zweden vast even gemist.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (16-09-2016)

Fanta met een rietje

In de hoek van het café zit een man met een stalen gezicht op knoppen te rammen. Lichtjes springen wild over de kast, getallen verdwijnen even snel als ze verschijnen. De man draagt een lichtblauw pak van linnen dat Italiaans bedoeld is. Bovenop de gokkast staat een fluitje waar hij soms secondenlang zijn hand om laat rusten, waarna deze weer afzakt naar een knop of gleuf. Zo bedachtzaam als hij zijn linkerhand verplaatst, zo onbehouwen raast zijn andere hand van lichtje naar lichtje. Hij draait kort zijn hoofd om als een vrouw met een spuitbusbruine huid de kroeg binnen stapt.

Haar spaghetti-shirtje en plateauschoenen hebben dezelfde kleur, wat niet zou opvallen als die kleur niet knalroze was. Zonder dat ze iets hoeft te zeggen, krijgt ze een flesje Fanta van het barmeisje, dat moet lachen. Ze wijst naar het rietje en dan naar het topje. ‘Ja,’ zegt de vrouw, en zet het rietje aan haar lippen. Even kijkt ze op als de man in de hoek ‘tyfus!’ roept.

Het meisje gaat glazen spoelen die de komende uren niet nodig zullen zijn. Verderop aan de bar zit een man gebogen over een sportkrant. Hij heeft een baard en een bril, maar zal door niemand voor hipster worden versleten. Hij moppert over de bondscoach en het bord voor diens kop. Het meisje hoort het aan, spoelt de glazen – ze heeft geen mening over Danny Blind. De man aan de knoppen zwaait met zijn armen; ze tapt een nieuw fluitje.

Op het scherm naast de gokkast zijn twee oud-voetballers met elkaar in gesprek. De krantenlezer komt af en toe overeind, kijkt met een strak gezicht naar de tv en buigt zich dan hoofdschuddend weer over de bar. Als de wedstrijd begint, vouwt hij de krant dicht en installeert zich dichter bij het scherm. Het barmeisje zet bakken met nootjes neer en haalt een nieuwe Fanta. “Gezellig hè,” zegt ze. De roze vrouw, die zit te appen, heeft het niet gehoord. De man naast haar maakt zich kwaad over de opstelling. Ik drink mijn glas leeg en besluit thuis verder te kijken.

Als ik opsta, klinkt vanuit de hoek een doffe klap. De man in het lichtblauwe pak ligt een paar tellen roerloos op zijn rug. Dan beweegt hij zijn hoofd. “De tyfus!” roept hij, terwijl hij traag overeind komt. Hij pakt zijn fluitje, drinkt het leeg en beent wankel de kroeg uit. Het meisje zet de kapotte kruk recht, de man met de baard schudt zijn hoofd. De vrouw in het roze zuigt haar Fanta naar binnen.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (09-09-2016)

Edradour

De man van de whiskyrondleiding draagt een kilt, net als de man van de autoverhuur en de man van de hotelbar. We zijn bij Edradour, een van de distilleerderijen die claimen de kleinste van Schotland te zijn. Het is tien over elf ’s ochtends; we zijn precies op tijd voor de tour.

De man met de kilt gaat ons voor naar een kamer met kandelaars, chic gedekte tafels en een ouderwets tv-toestel. Terwijl hij ons een eerste whisky inschenkt, informeert hij naar de herkomst van de pakweg 27 geïnteresseerden. Behalve de nodige Britten en twee Nederlanders bevinden zich daaronder een club Spaanse dames op leeftijd, drie Belgische studenten en een nerveuze man uit Koblenz. We bekijken een schokkerige video – een afgekeurde Hertog Jan-reclame met Spaanse ondertiteling – waarin het vakmanschap van de Schotse ambachtslieden van het opvallend ronde scherm spat.

We volgen de man met de kilt naar de ruimtes waar het allemaal gebeurt, waar met honderd jaar oude instrumenten volgens duizend jaar oude recepten een ambachtelijk product wordt gemaakt. Hoe anders gaat het eraan toe, zo blijft hij benadrukken, bij al die bekende merken die het best smaken in een glas cola met ijsblokjes. Wat men hier in een jaar produceert, dat leveren Johnnie en Jack moeiteloos in in twee dagen af. De Duitser is inmiddels in grote haast alle machines en ieder afzonderlijk vat aan het fotograferen. De gids bekijkt hem, maar zegt niets.

“Alleen al dát exemplaar – hij wijst een donkergekleurd vat aan – is een slordige tweehonderd duizend pond waard.” Een van de Spanjaarden laat een fluittoon ontsnappen, de Duitser maakt direct een foto. “Remember, no flashing,” roept de gids, die zijn hoofd schudt. Hij laat ons nog een volstrekt unieke koelinstallatie zien (‘the only one left in Scotland’), toont ons een ketel die werkelijk ongeëvenaard is in zowel zijn afmetingen als zijn robuuste kwaliteit en laat ons proeven van gerst dat nergens ter wereld zo puur en eerlijk wordt verbouwd als hier, bij Edradour, de kleinste distilleerderij van Schotland.

Tot slot leidt de tour, volgens authentiek marketingrecept, langs een 19e-eeuws ingerichte gift shop met 21e-eeuws prijzen. Ik vraag of deze flessen ook in Nederland te koop zijn; de man trekt een moeilijk gezicht. “Very, very rarely, sir.” Met een mooie fles in de tas verlaten we Edradour, waar in de tussentijd alweer vier nieuwe rondleidingen zijn begonnen. Alleen de man uit Koblenz is op uitnodiging van de gids in de bar blijven hangen. Hij heeft zijn camera opzij gelegd en geniet van zijn whisky, net als ik een week later. En ach, dat ik die fles even daarvoor ook bij De Bierwinkel in Leiden heb aangetroffen, dat is eigenlijk helemaal niet zo erg.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (02-09-2016)

Tijd

De conducteur roept om dat we ‘keurig netjes op tijd volgens dienstregeling’ station Leiden Centraal bereiken. Uit de trein wurmt zich een bijzonder gezelschap van puffende mannen in vochtige overhemden, jonge studenten met foldertjes en buitenlandse toeristen die moeite hebben met het woord ‘Schiphol’.

Een volwassen vrouw met een Frozen-rugzak draait zich naar me om en wijst naar het papier dat ze in haar hand heeft. Ik knik. “Five B?” Ik bevestig het nogmaals. De vrouw draagt grote witte schoenen, net als haar man. Schoenen die bedoeld zijn om mee hard te lopen. Ze heeft de boodschap begrepen en sleept haar man mee naar spoor 5b. Op zijn T-shirt staat ‘I love Berlin’, op zijn pet ‘Mississippi State’. Ze hebben nog een halve minuut om de trein te halen.

In de stationshal wordt in vier talen gewaarschuwd voor zakkenrollers. Ouderejaarsstudenten vangen de nieuwe lichting op, er schijnt een soort systeem van nummers en kleuren te zijn. Ik denk terug aan mijn eigen EL CID-week, voor mijn gevoel nog maar een paar jaar geleden.

De eerste dag, in de stromende regen, op de fiets vanuit Katwijk. Mijn dunne spijkerjack is donkerder dan ooit. Op de Beestenmarkt, die zijn naam eer aan doet, voeg ik me bibberend bij groepje 111. Een tamelijk willekeurige verzameling van politicologen, geneeskundigen en een neerlandicus die zich te laat heeft ingeschreven. Verder herinner ik me vooral de Turkse geneeskundestudent die me had toevertrouwd dat hij op z’n elfde, met veel moeite, was gestopt met roken. Was ook wel nodig, zei hij, na zeven jaar.

Vóór het station is het al net zo druk als daarbinnen. Mensen met grote koffers maken foto’s van fietsenstallingen. Vlak naast de fietsen zie ik de man die van Berlijn houdt staan – samen met zijn vrouw gebogen over een stadsplattegrond. Ik vraag of ze de trein hebben gemist. Nee, legt de man uit, ze hadden zich in de tijd vergist. AM en PM, begrijp ik wel? Hun vliegtuig gaat vanavond pas; ze kunnen erom lachen. De man vraagt of er hier ook goede terrasjes zijn. Ik wijs ze de weg naar de Nieuwe Rijn en zie de bus naar Katwijk aankomen. Keurig netjes op tijd volgens dienstregeling, ik kan niet anders zeggen.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (26-08-2016)

Homofoob

“Gadverdamme, ze staan gewoon te bekken.” Twee jongens in de bus staren samen naar een telefoontje. “Echt ranzig. Ik heb niks tegen homo’s, maar ze moeten er geen reclame voor gaan maken.” Jongen nummer twee – haartjes netjes in de lak, zijkanten opgeschoren – is het daar helemaal mee eens. “Ik accepteer het heus wel, maar ik hoef het echt niet te zien.” Nu pakt hij zijn mobieltje uit zijn zak en veegt wat verveeld over het scherm. Op de achtergrond een foto van Cristiano Ronaldo.

De smerigheid waar de jongens het over hebben, betreft een foto van BNN-BN’ers Tim Hofman en Jan Versteegh. Ze poseerden voor het tijdschrift L’Homo, het homoseksuele broertje van de Linda. Vrijwel naakt, kussend, handen op billen – zeg maar ‘pikant’. Als twee bekende Nederlandse mannen samen zo op de foto gaan, kun je wachten op reacties als van deze twee jongens. Ik vermoed dat ze weinig bezwaar hadden toen niet zo lang geleden Geraldine Kemper en Kim Feenstra op vergelijkbare manier op de foto gingen. Want twee vrouwen die geil doen, ja, dat is gewoon geil.

Ik kan het deze jongens niet kwalijk nemen. Ze zijn een jaar of veertien en horen ‘homo’ vooral als scheldwoord. Goede kans dat ze alle wedstrijden hebben gezien van een voetbaltoernooi waarbij ‘respect’ het meest gebruikte woord is, maar op een totaal van 552 welgeteld 0 voetballers uit de kast zijn gekomen. Nul. Zangers, dansers, acteurs, dat kan natuurlijk, maar profvoetballers, nee zeg.

De vermeende ruimdenkendheid van de busjongens staat niet op zichzelf. In verschillende varianten hoor je ‘m voorbijkomen. “Prima dat je homo bent, maar val mij er niet mee lastig.” “Natuurlijk mag je homo zijn, als je maar niet gay doet.” Of de klassieker “als je maar van me afblijft”. Hilarisch toch? Wat een heerlijk tolerant volk zijn we toch. We accepteren je homoseksualiteit, maar in het openbaar hoeven we het niet te zien. We moeten nog eten vanavond.

Wat deze uitspraken volgens mij vooral aantonen, is dat we ons best bewust zijn van onze eigen bekrompenheid. Heb je ooit iemand “Ik wil me nergens mee bemoeien, maar…” horen zeggen, zonder zich daarna ergens mee te bemoeien? Zo gaat het ook met “Ik heb niets tegen homo’s, maar…” en “Ik ben heel ruimdenkend, maar…”. En trouwens ook met “Ik ben geen racist, maar…” We weten stiekem best wel dat we bemoeizuchtig, homofoob, kortzichtig en racistisch zijn. We vinden het alleen niet zo ruimdenkend van onszelf.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (01-07-2016)

Dino’s

Op de dag dat het EK voetbal begint, vraagt het kassameisje of ik dinoplaatjes spaar. Ze heet Levaughn; haar naam is met dikke zwarte stift op een stuk plastic gekrabbeld door iemand die liever bij Starbucks had gewerkt. Ik zie een dinoposter en ineens valt het me op: hoe ongelooflijk blauw deze supermarkt is. Geen oranje wuppies, oranje trollen, oranje vla met sinaasappelballen. Geen panini-albums, niet-lijkende miniatuurvoetballertjes, bierhoeden, bierjurkjes, bierspeakers, dug-outkratjes, brulshirts, juichpakken, trommelhoeden, vuvuzela’s of tattoo-sleeves. Zelfs geen ludiek flesje hup-saké. Alles is gewoon Albert Heijn-blauw, zoals alles verderop gewoon Dirk-rood, Plus-groen en Jumbo-geel is. Zelfs bij Blokker moet je goed zoeken naar de kleur oranje.

“Meneer?”

Dan schijn je dus voor een ander land te moeten zijn. Ik geef toe, ook ik heb mezelf de vraag der vragen gesteld. Het antwoord? België. Natuurlijk ben ik voor België, gewoon omdat het België is – en omdat ze geweldige spelers hebben, Oké, ik ben ook voor Duitsland, omdat die Mannschaft al jaren het beste voetbal speelt. En voor Engeland, want al bakt het nationale team er al sinds 1966 hoegenaamd geen reet van, het blijft een prachtig voetballand. Verder gun ik het Ierland wel, maar ook Zweden, Oostenrijk en Polen. Kroatië heeft Modric, dat vind ik een heerlijke voetballer, niet alleen omdat hij sprekend op Johan Cruijff lijkt. En zou het niet ontzettend leuk zijn als IJsland Europees kampioen werd, het land met evenveel inwoners als Leiden plus de Bollenstreek? Of Noord-Ierland, gewoon vanwege namen als Conor McLaughlin en Paddy McNair.

“Meneer…”

Wat te denken van Oekraïne? Wat een statement zou dat zijn, in de finale tegen Rusland op het laatste moment de 1-0 maken en dan even dat vreselijke songfestivallied van Jamala keihard door alle Europese huiskamers laten schallen. Nu ik erover nadenk gun ik het eigenlijk alle landen wel – behalve Portugal, maar dat spreekt voor zich.

Stiekem denk ik soms aan het scenario van 1992, toen een stel van de camping geplukte Denen de Europese titel voor de neuzen van ons arrogante oranje wegkaapte. Ik zie Memphis Depay voor me op een camping in Noordwijkerhout, die een potje midgetgolf onderbreekt om even met niet-de-bondscoach Dick Advocaat te bellen. “Spelen, morgen? Tuurlijk, coach!” En dat hij dan in zijn grijze Skoda Fabia stapt en naar Frankrijk tuft, om alleen even te stoppen bij een tankstation waar geen oranje product te vinden is.

“Meneer! Wilt u nou dinoplaatjes of niet?”

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (10-06-2016)

Damesdubbel

De geur van gebakken vlees trekt over het terras, stevige house klinkt uit goedkope speakers. Op baan drie zijn vier dames net klaar met hun dubbel. Ze pakken hun enorme tassen in en ploffen neer: drie Radlers en een spaatje blauw. “Kiki is weer door, he” zegt de spa-drinker terwijl ze haar mobieltje opbergt. “Ik denk dat ze hem wint.” De rest heeft geen mening, of houdt die voor zichzelf – nog steeds een optie in dit land. “Ik weet het niet, Bren,” zegt de vrouw naast haar. Ze draagt een felroze polo van Ellesse met bijpassende haarband. “Na Kruijswijk ben ik toch wat voorzichtiger geworden. En Ajax, niet te vergeten.” Bren kijkt zuur.

“He Saar, heb je Roelof nog gesproken?” De vraag is gericht aan de vrouw in het roze, die tot voor kort een lach op haar gezicht had. Ze roert in haar Radler en kijkt naar de heren op baan 5. “Gevoelig puntje!” roept Bren, en ze nipt aan haar flesje spa alsof het een 25 jaar oude whisky bevat. “Sinds wanneer draaien ze hier van die kloteherrie?” vraagt Saar. Ze schudt haar hoofd. “Nee, ik heb hem niet meer gesproken. Hij wilde het ‘rustig aan’ doen.” Ze tekent vier grote aanhalingstekens in de lucht. “We weten allemaal wat dat betekent,” zegt een van de anderen, terwijl ze een pak sigaretten uit haar tas haalt. Saar kijkt direct haar kant op. “Ja ja, ik ga al.”

“Dames!” roept een man van zeker twee meter terwijl hij een stoel bijschuift. Op zijn pet staan de initialen van Roger Federer. “Ja hoor, ga maar zitten,” hoor ik Bren tegen haar buurvrouw fluisteren. “Lekker gespeeld weer?” De antwoorden blijven uit. De vrouw die verderop staat te roken snijdt met een platte hand haar keel door. “Ik krijg zo’n trek van die barbecuelucht,” zegt de vrouw naast Saar terwijl ze opstaat. Bren draait intussen haar lege Radler-glas rond en kijkt naar de man tegenover haar, die niets in de gaten heeft. Hij begint een verhaal over service-volley waar geen van de overgebleven dames naar luistert. De rookster en de vrouw die trek had gekregen melden zich weer bij het tafeltje. “Ik heb vast afgerekend, gaan jullie mee?” De Federer-pet blijft achter – drie lege Radlerglazen, een blauw flesje met een citroen. Net voordat ze met z’n vieren in een witte Fiat 500 stappen slaat Bren een arm om Saars schouder.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (03-06-2016)

Takke-end

Op zo’n beetje vijftien kilometer van de finish weet ik het zeker: dit doe ik nooit meer. Dit hier in Rotterdam is mijn eerste en laatste marathon. Nu dit laatste stuk overleven en dan nooit meer zo raar doen. ‘Die laatste tien loop je op karakter’, zeggen ze dan – ik moet het er halverwege al van hebben. Ik druk nog een flesje gel leeg en zie om me heen meer en meer mensen stilvallen. Een gespierde vrouw kotst tegen een boom. Op haar rug staat ‘Never give up’. De anders zo vriendelijke Kralingse Plas is een beul vandaag.

Dit weekend zullen honderden hardlopers in en om Leiden minstens zo stuk gaan als de kotsende mevrouw en ik. Waar ben ik aan begonnen, zullen ze denken, en waarom ook alweer? Benen zullen vollopen. Tepels bloeden. Zolen, heupen en tenen protesteren. Op zo’n beetje vijftien kilometer zullen ze het zeker weten: dit nooit meer.

Vanuit het Gelderse Wamel, waar SJC zondag 7 een teambuildingskamp heeft belegd, zal ik aan ze denken zondag. Tussen een potje voetgolf en een speciaalbiertje in zal ik met ze meeleven en terugdenken aan die zondagmiddag, zes weken geleden. Hoe soepel het ging in het begin en hoe snel je dat weer vergeten bent. Hoe ik halverwege voelde dat het minder ging dan tijdens de training – en hoe ik daar niets meer aan kon doen. Hoe benen voelen die al heel lang niet meer willen.

Opnieuw zal ik mijn eerste marathon beleven. Nog drie kilometer: gewoon blijven hardlopen. Je hebt geen 39 kilometer afgelegd om hier te gaan wandelen. Probeer ritme te houden, denk niet aan die benen. ‘Never give up’. Kijk, die mensen wandelen, maar jij bent nog aan het rennen.

Twee kilometer nog, daar is het bord met 40. Nu kan het niet meer fout: gewoon blijven rennen. De laatste kilometer, richting de mensenmassa. 500 meter, een man zakt in elkaar, EHBO’ers ondersteunen hem. Ik probeer een eindsprint in te zetten en voel mijn benen verkrampen. Als een plank ga ik over de finish, nog net in staat mijn vuist te ballen. Dit nooit meer, denk ik nog steeds. Tot een paar dagen later. Mijn benen voelen weer als benen, de twijfel begint. Misschien toch New York, over een jaar of vijf?

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (20-05-2016)

Groen licht

“Hier word je toch letterlijk doodziek van.” De man vóór me beweegt zijn trappers achteruit en drukt nog maar eens op de knop. Hij heeft het felrode brilletje van zijn tienjarige dochter opgezet, zwartbehaarde benen steken uit zijn witte korte broek. Als voorop de fiets geen klein ventje had gezeten, was papa al lang door rood gereden. “Man, man, man,” zegt hij wanneer opnieuw een rij auto’s in beweging komt. “Dit gaat toch nergens over?” Hij ramt op het knopje alsof hij Mortal Kombat speelt tot het uiteindelijk groen wordt. Het zoontje juicht.

Een stoplicht verder sta ik weer achter de man. Nu is hij aan het bellen over iets nogal belangrijks, iets wat aangevlogen moet worden en handen en voeten moet krijgen. Het zoontje roept intussen steeds iets harder ‘papa’, net zo lang tot deze hem een pakje drinken geeft – zo’n rode Wicky met een vakje waar niemand ooit een naam in schrijft. Het belang van het besproken onderwerp is inmiddels benoemd: het is wel even een dingetje. De vader denkt gelukkig wel dat hij het kan managen, al zal er wat damage control aan te pas moeten komen. Het jongetje geeft de lege Wicky aan zijn vader, die het onder zijn snelbinder propt. “Is goed. Cheers, kerel.” Het licht is groen.

Weer een stoplicht later klinkt de mans telefoon. Hij kijkt zijn zoontje aan. “Papa heeft een keer een dagje vrij…” Zijn ergernis is slecht geacteerd – dit is een man die zich graag onmisbaar waant. Tijdens het gesprek drukt hij op schijnbaar willekeurige momenten op het knopje van het verkeerslicht: soms één keer, soms zes keer. Met zijn rechtervoet tikt hij in hoog tempo tegen de stoeprand, terwijl zijn zoontje in het trillende kinderzitje in slaap lijkt te vallen. Het probleem is trouwens opgelost, de man dankt zijn collega voor de snelle heads-up. Ja, hij staat letterlijk al tien minuten voor het stoplicht, gaat echt helemaal nergens over. En o ja, wat dat andere issue betreft: daarbij is het wachten op een go van marketing. Groen licht dus, bij wijze van spreken.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (13-05-2016)

Jari

Atlético Madrid-speler Antoine Griezmann, matchwinner in een met 2-1 verloren Champions League-duel, speelde dinsdagavond op één roze en één gele voetbalschoen. Dat mag natuurlijk – we vieren de vrijheid – maar opvallend is het wel. Traditionele voetbalschoenen worden sowieso steeds zeldzamer in het hedendaagse voetbal. Zelfs in mijn eigen zevendeklassezondagvriendenteam zijn de roze, felgele en babyblauwe kicksen niet aan te slepen.

Niets voor Jari Litmanen, gekleurde voetbalschoenen. Het was misschien wel de mooiste anekdote die de afgelopen week voorbijkwam: dat de Fin begin deze eeuw twintig paar Copa Mundials (zwart met witte strepen) insloeg, omdat hij bang was dat Adidas ze ooit uit de handel zou halen. En dat hij op een ander model zou moeten spelen – Sjakie zonder zijn wondersloffen. Ze moeten nog ergens in een kast in de Arena liggen, die veertig schoenen. En Adidas produceert ze nog steeds.

Een briljant voetballer, een bescheiden man, maar bovenal een liefhebber, die Jari Litmanen. Inmiddels is hij 45 jaar, de man van glas, maar hij pakt nog altijd zijn wedstrijdjes mee. En soms, als ik Ajax zie voetballen, vaak net een tempootje te laag, dan denk ik Jari ertussen. Zijn achteloze aannames, zijn subtiele beheersing, zijn keuzes die altijd de juiste leken. De schoonheid van zijn spel school soms ook in de eenvoud – klasse zonder aanstellerij. Geen grote gebaren, een vingertje in de lucht als hij had gescoord. Als het een belangrijke goal was, deden zijn armen mee. En altijd het deinen van die zwarte mat in zijn nek tijdens een dribbel.

Litmanens voorkeur voor de Copa Mundial-schoen bleef ook bij Adidas niet onopgemerkt. Op een goed moment kreeg hij een sponsordeal aangeboden. Voorwaarde was wel dat hij altijd op de nieuwste modellen zou spelen. Litmanen bedankte vriendelijk en bleef bij zijn vertrouwde Copa Mundials. Met één verschil: vanaf dat moment maakte hij met een stift de beroemde ‘drei streifen’ zwart. Hij wilde geen reclame maken voor Adidas.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (06-05-2016)