Ouwe meuk

“Ouwe meuk verbranden.” Hij rookt een pijp, de man van wie we het huisje huren. Een grote grijze man met een snor. Zijn hond kijkt van een afstand toe hoe de vlammen steeds hoger komen. Het is een klein, wit hondje in de vorm van een worst. Zijn staart gaat op hoge snelheid heen en weer. “Het oude verbranden. Ruimte maken voor iets nieuws,” zegt de man. Met zijn armen over elkaar kijkt hij naar het vuur. Hij gooit er nog een halve deur bovenop en wandelt dan weg richting de boerenschuur. Daar rommelt hij wat tussen oude meubels en stukken hout. Strepen rook stijgen op uit de kieren van het vervallen schuurtje.

Het is nieuwjaarsdag, rond het middaguur. In dit dorp op de Veluwe komen de enige knallen uit melkbussen met carbid. Geen schoonmaakploeg die de rode straten schoonspuit, geen jochies die zoeken naar restjes bruikbaar vuurwerk. Wel om de paar minuten een flinke klap, die maar langzaam wegsterft. Heel even stopt het hondje dan met kwispelen.

Een weekendje op de hei, die fase hebben we bereikt. Je verheugen op een potje scrabble. Wandelen langs de schaapskooi, pannenkoeken eten bij de Ossenstal in Epe. Geen enkel hert zien. Appelbeignets opwarmen in de oven, tijdens het koken meezingen met de Top 2000 en tijdens het afwassen ook. Op precies het juiste moment de champagne ontkurken en inschenken in longdrinkglazen.

Wanneer we later die middag de auto inladen, is van het vuur alleen een zwarte plek over. De ouwe meuk is verbrand. Nog steeds klinken er carbidknallen, al zit er steeds meer tijd tussen. Het hondje komt aangelopen. Achter hem stopt de man zijn pijp. Al stomend zwaait hij ons uit als we wegrijden; zijn handen zijn haast groter dan de hond. In mijn spiegel zie ik de staart van het beestje razendsnel heen en weer gaan.

 


Leidsch Dagblad, 6 januari 2017

Geef een reactie

Your email address will not be published / Required fields are marked *