Kunst

Mevrouw De Bree knoopt haar jas dicht. Ze kan het zelf, al duurt het lang. Haar kleinzoon komt haar halen, ze gaan naar een museum. De naam is ze vergeten. Zo meteen zal ze vragen of de kleinzoon koffie wil. Hij zal vriendelijk bedanken en zeggen dat ze op moeten schieten.

De spits is net voorbij wanneer ze door Wassenaar rijden. Grote huizen, smalle weggetjes. Veel bomen. De kleinzoon moppert over drempels en tegenliggers. Hij zegt dat het maar een klein stukje lopen is van de parkeerplaats naar het museum. Mevrouw De Bree moet vier keer stoppen. Bankjes staan er niet.

Ze beginnen in een glazen zaal die is gevuld met grote blauwe ballonnen. Ondersteund door de kleinzoon wurmt ze zich naar de volgende deur. Ze haakt haar arm in die van hem. Zo hield zij Evert vast. Zo hield Evert haar vast. Op de zaterdagse markt, naar de zondagse dienst. Nooit naar een museum. Wat had hij dit een aanstellerij gevonden. Wat had zij graag nog één keer zijn norse blik gezien.

Een kop koffie in de salon. Te zoet, veel te zoet. Had ze er al suiker in gedaan? Ze bekijkt ook hier de kunst aan de muur. Tekeningen in zwart-wit. Een rotseiland in zee, een brede kabelbrug. Een grote stad ergens ver weg. Karachi, São Paulo, Dhaka? Een stad waar je heel Nederland in kwijt kan. Ze moet er niet aan denken. Ze vindt de Stevenshof al groot.

De kleinzoon vraagt voor de derde keer of ze het leuk vond. Op de radio vergelijkt iemand Coldplay met The Beatles. Vanuit de donkerrode Alfa Romeo ziet ze de bomen, de enorme huizen, de twee flitspalen kort na elkaar. De kleinzoon blijft op de linkerbaan. Zo meteen zal ze vragen of hij nog een bakkie wil. Hij zal vriendelijk bedanken en zeggen dat hij op moet schieten.

 


Leidsch Dagblad, 10 februari 2017

Geef een reactie

Your email address will not be published / Required fields are marked *