Wanneer ik de gordijnen van de verlaten wachtkamer een stukje opendoe, begrijp ik waarom deze de hele dag dicht zijn. Een bouwput, een verroeste slagboom en een met lint afgezette parkeerplek. Een plek waar je Gerri Eickhof nog niet neer zou zetten.

Door een ander raam zie ik twee voormalige bushokjes die dienstdoen als rookruimte. De ruiten zijn gebroken, het dak zit vol gaten. Het ziekenhuis heeft zijn best gedaan: alleen de compleet verstokten zullen een koude ochtend als deze trotseren voor hun porte nicotine.

Stipt op tijd word ik geroepen. De anesthesist klinkt als prins Bernhard. Hij doet me denken aan een professor uit een tekenfilmserie. Iets met een vogelbekdier, maar niet Ovide.  Afijn.

‘Kun je nog een beetje mehr op je roek draaien?’

Ik draai wat meer op mijn rug.

‘Ja, zeer goed. Helemahl goed.’

Even later lig ik in een lawaaierige en krappe tunnel met een koptelefoon op mijn hoofd en een band om mijn arm. In mijn linkerhand krijg ik een noodbelletje, voor als ik in paniek raak. Echt genieten van de muziek kan ik niet, aangezien de apparatuur veel lawaai maakt. Het enige wat ik meekrijg, zijn reclameblokken en I’d Do Anything for Love’. Op zichzelf reden genoeg om op het belletje te drukken, maar ik houd me sterk. En ik bid dat Bryan Adams niet gedraaid wordt.

Een paar minuten later wandel ik naar buiten. Naast me loopt een vrouw die een infuus met zich meesleept, maar niettemin vrolijk lacht. Ze groet een hoogbejaarde man met een looprek dat ongeveer in zijn geboortejaar moet zijn gefabriceerd. Samen lopen ze naar buiten.

Terwijl ik probeer om Meat Loaf uit mijn hoofd te krijgen, bedenk ik me dat ik iemand moet bellen om me op te halen. En dat het vogelbekdier Perry heet.

De vrouw met het infuus en de man met het looprek staan samen in het rookhokje. Ze lachen zoals kettingrokers lachen.

Zeer goed. Helemahl goed.

En dan, op de terugweg – ik zweer ‘t:  Bryan Adams op de radio.

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (06-12-2013)