‘Ik ga even mijn handen wassen…’ Behalve de vent die bij elke slok glunderend uitriep ‘Vis moet zwemmen, nietwaar?’, heb ik nooit een ergerlijker figuur gekend dan de vrouw die even haar handen ging wassen. De eerste keer dat ze het zei, dacht ik dat ze plakkerige handen zou hebben. Misschien vanwege gemorste koffie, of door het eten van een tompoes zonder dat er servetten in de buurt zijn. Kan gebeuren. Maar ze had geen plakhanden, ze at al helemaal geen tompoezen: ze was de vrouw die even haar handen ging wassen. Haar gezicht had een vreemde, wittige glans en haar lippen hadden de kleur van verlopen filet américain. Als je dicht genoeg bij haar gezicht stond, kon je de blonde haren op haar kin tellen.

De vrouw die even haar handen ging wassen werkte in de schoolbibliotheek. Ze hield meer van boeken dan van kinderen, zo merkten ook de leerlingen: ze was de strengste vrouw in het gebouw. Vooral vlekken, daar moest ze niets van hebben. Hoofdschuddend noteerde ze dan voorin het boek ‘Vlekken op titelblad’. Of, als het boek echt niet meer te redden was, drukte ze de stempel ‘afgeschreven’ op de eerste pagina – in rode letters, die in de loop der jaren roze zouden worden.

Het zou allemaal niet zo’n ramp zijn geweest als die bibliotheek wat langer open was geweest. Maar nu hing die vrouw de halve dag rond in de docentenkamer, waar ze theedronk, tegen collega’s aanpraatte en onduidelijke handelingen verrichte met stapeltjes bibliotheekboeken. En waar ze zo’n drieëntwintig keer per dag aankondigde even haar handen te gaan wassen. Welbeschouwd moest het er een keer van komen.

Het was een vrijdagmiddag, het liep al tegen vijven en de school was uitgestorven. Ik maakte me op om naar huis te gaan, toen ze haar hoofd om de deur van de docentenkamer stak. “Niet afsluiten hoor, ik ga nog even m’n handen wassen.” Ik had kunnen besluiten de volgende dag ontslag te nemen, ik had briesend maar geduldig tot tien kunnen tellen, ik had haar in alle rust kunnen vertellen: “Luister eens even, dat jij hier de halve dag in de baas z’n tijd zit te schijten moet je zelf weten, maar dat gehandenwas van je komt me nu m’n strot uit.” Maar dat deed ik niet. Ik ben zachtjes de trap afgelopen, heb de alarmcode ingetoetst en de deur vergrendeld. Hoe ze eruit is gekomen weet ik niet, maar de rest van het schooljaar heb ik geen last meer van haar gehad.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (23-10-2015)