Col du Glandon

Morgen staat de Col du Glandon op het programma in de Tour. Ooit, op de dag dat Nederland weer eens nèt geen wereldkampioen voetbal werd, fietsten vier huisgenoten deze berg op.

We gaan terug naar juli 2010.

Twee kleine tenten in een Toyota Picnic, twee fietsen bovenop, twee achter. Het strakke Specialized-carbon gebroederlijk naast het harde staal van een oude Giant Peloton. Het Vlaamse zonlicht tekent een ultiem gevecht uit op de vluchtstrook: Contador slaagt er niet in Zoetemelk te lossen.

We zijn onderweg naar de Mont Ventoux. Onderweg pakken we, bij wijze van voorbereiding, een andere berg mee. Het is 11 juli. De dag van de finale. De dag van de Col du Glandon.

Hier volgt mijn verslag van drie jaar geleden, met dank aan het geweldige geheugen van mijn Gmail-account.

—-
‘Nee joh, maakt niet uit, Tommy Simpson had ook geen hartslagmeter.’

Geen hartslagmeter dus en inmiddels is ook mijn kilometerteller er mee opgehouden. De inhoud van m’n bidon smaakt als afwaswater. Afwaswater waar nog wat koud water bij moet om de handen te ontzien. Ik grijp naar m’n andere bidon, alsof die op mysterieuze wijze gespaard zou zijn. Het is minstens 35 graden, mijn shirt is doordrenkt,  mijn benen zijn volgelopen en langs de weg staat een paaltje me toe te lachen: nog achttien kilometer naar de top. Ook vermeldt dit paaltje het stijgingspercentage, maar ik slaag er gelukkig in dit niet te lezen.

Niet nadenken, trappen. Rustig rondjes blijven draaien. Bovenlichaam stilhouden, de benen het werk laten doen. Blijven draaien.

Ik drink het goedje uit de tweede bidon. Plastic.

Voor me rijdt een groepje Italianen, zo te zien allemaal boven de vijftig, op peperdure fietsen van Bianchi en Colnago. Ze trappen ongelooflijk licht, op een bergverzet waar mijn oude  Giant niet over beschikt. Hun constante maar lage tempo maakt het onmogelijk achter ze te blijven. Ik haal ze dus maar in. Verderop zie ik het paaltje van zeventien kilometer. Uit mijn shirt haal ik een energiereep, die zacht en kleverig is geworden. Het gedeelte dat niet op de grond valt, stop ik naar binnen, om het daarna weg te spoelen met warm water.

Stemmen in mijn hoofd vertellen me dat ik niet zo raar moet doen. Een verstandig mens gaat niet zo’n berg op fietsen. Zeker niet midden op de dag, half juli. Waar ben ik in godsnaam aan begonnen?
Blijven draaien, rustig rondjes blijven draaien. Tot het punt dat stoppen onvermijdelijk wordt, omdat de benen simpelweg niet meer luisteren. Heel even van dat ding af, in de schaduw stilstaan en rustig een slokje nemen. De mogelijkheid verwerpen om het op te geven, jezelf moed inpraten en vooral niet naar boven kijken.

De Italianen zweven me voorbij met hun benijdenswaardige tred. Had ik maar zo’n Bianchi, denk ik, en knik ze toe. Maar dan: die gasten zijn achter in de vijftig. Als die bokken bovenkomen, dan lukt het mij verdomme toch ook, oude fiets of niet… Ik moest me schamen me voorbij te laten rijden door die Italiaanse lijken op hun protserige pro-fietsen.

En even later zit ik weer bij ze in het wiel. ‘Cyclismo Torino’ staat er op hun shirtjes. Alles aan hun fiets is van carbon. Maar streep het weg tegen hun buikjes en de stand is weer gelijk. Geen uitvluchten zoeken. Trappen met je
donder. Ronddraaien. Met je vierentwintigjarige benen die ouwe mannetjes op z’n minst bijhouden.

Op ongeveer de helft van de klim – de Italianen hebben me alweer hun bejaarde kuiten laten zien – gaat opnieuw het licht uit. Een mooi schaduwplekje langs een ravijn lonkt. Ik weiger te stoppen, scheld mezelf in m’n hoofd verrot en pers alles uit m’n benen . Wanneer ik de  bocht neem, volgt onmiddellijk de beloning. Een stuk vlakke weg en daarna zelfs een korte afdaling.  Heel even ben ik euforisch, helemaal als ik verderop een fonteintje zie. De mannen van Cyclismo Torino vullen hun bidons. Ze groeten me vrolijk. Wanneer ze verder gaan en ik ze succes heb gewenst, vul ook ik mijn bidons met ijskoud bergwater. Een koninklijke beloning.

Nog negen kilometer, met dien verstande dat het laatste stuk het steilst is. Blijven draaien, rustig rondjes blijven draaien. Ooit kom je boven.

En jawel, ik bereik de top. De Italianen en m’n fietsmaatjes helpen me met hun aanmoedigingen de laatste meters door. Energie om te reageren heb ik niet, ik kan nog net m’n fiets tegen een grote steen aan zetten en in het gras vallen.
—-

We waren een paar minuten te laat voor de aftrap van Nederland – Spanje.

Geef een reactie

Your email address will not be published / Required fields are marked *