Categorie archief: Uncategorized

Zondag

‘Als voetballer heb ik iets van zowel Van Basten als Litmanen, ‘ vertel ik een lokale sportverslaggever. ‘De enkel van de één en de knieën van de ander.’ De verslaggever, tevens teamgenoot in het negende, kan er wel om lachen. We staan onder de douche na een onnodige nederlaag.

Als we niet zo’n ontzettende thuisfluiter hadden gehad, dan was het in de tweede helft vast nog wel gelijk geworden. De  6-1 geeft een vertekend beeld.  Ook zou het waarschijnlijk hebben geholpen als onze keeper Michel  vannacht niet was gezwicht om ‘aan zee’ nog één afzakkertje te komen halen. En misschien had het ook wel geen kwaad gekund als spits David die extra nachtdienst, waar zijn collega vanaf moest, niet had overgenomen, ook al beloofde deze hem kaartjes voor Feyenoord – PSV. Maar we verzamelden vanochtend om 8.15 uur op de club, dat kon precies.

Vanaf een gammel bankje – ‘dug-out’ zou te veel eer zijn – zie ik mijn teamgenoten in de tweede helft zeiknat regenen  op een veld dat er vanochtend prima bij had gelegen. Dat was voordat de mini’s (of hoe heten bij deze club de jongens en meisjes die te jong zijn om in een team met een letter en een cijfer te worden ingedeeld?) het in al hun schattige onvermogen hadden omgeploegd tot de onbespeelbare natte akker die het nu is. En het blijft maar hozen.

Vlak voor tijd begaat de linksback van de thuisploeg een stevige overtreding. Onze Spaanse teamgenoot Eduardo Ruiz blijft kermend liggen. Het is eeuwig zonde dat een man met zo’n prachtige voetbalnaam het balgevoel van een lantaarnpaal bezit.  Ik hoor Spaans dat ik op mijn Prisma-dvd ‘Leer thuis Spaans’ nooit heb gehoord. De scheidsrechter gebaart. Ingooi.

Goed, we verliezen dus volkomen onterecht. Toch is de sfeer in de kleedkamer prima. Michel trekt een krat bier tevoorschijn en Eduardo kan alweer lachen. Alleen verdediger Jan, de man met het rechterbeen van Ronald Koeman, baalt. Zachtjes scheldend trekt hij zijn voetbalschoenen uit en gooit hij zijn vuile shirt op de stapel.

Het wachten is op zijn legendarische ‘Weer een zondag naar de klote!’

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (13-12-2013)

dugout_voetbalveld

De lach van Puskás

Dat hebben ze vaker gedaan met z’n tweeën. De man strijkt snel nog even met een spuughandje zijn twee haren de juiste kant op, de vrouw loopt achteruit met de camera voor haar gezicht. Ze telt haar stappen als een scheidsrechter. Haar man geeft aanwijzingen – of bevelen –  de vrouw volgt ze op. Een geoliede machine.

Als ik moest raden, zou ik zeggen: Hongarije. De man heet misschien wel Gabor en, wie zal het zeggen, waarom zouden ze geen prachtige achternaam als Kovács of Puskás kunnen hebben?

Het is maar goed dat het zaterdagochtend vroeg is, dat er nog geen hond op straat is en dat de coffeeshop nog dicht is. Onder minder gunstige omstandigheden was mevrouw Puskás al een keer of drie platgereden, vrijwel zeker door een geblindeerd Golfje dat meer speakers dan gordels heeft. Met wat geluk zou ze, boven het zware gebonk uit, het getoeter opvangen en net op tijd wegspringen. ‘Teerrr op  juh, darrrm!’  Meneer zou zijn hoofd schudden en direct weer zijn pose aannemen. Een professional.

Maar het is zaterdagochtend, nog voor achten. Alleen wat hardlopers passeren het stel, dat nog steeds alle tijd neemt. Meneer blijft maar aan zijn praktisch kale hoofd plukken.

Na een minuut of vijf is het dan toch echt gebeurd. Hij staat erop, onze Lambik, vereeuwigd met de stadspoort. Nederig laat mevrouw hem het resultaat zien. Hij kijkt wat ontevreden, maar neemt er zo te zien genoegen mee. We doen het er maar mee. Dat moet hij vaker hebben gedacht.

Langzaam loopt het Hongaarse stel verder, op weg naar een volgend fotomoment. Dat zal Molen de Put wel worden. En daarna de jonge Rembrandt.  Misschien dat mevrouw Puskás er ook een keer op mag?

En dan zie ik nog net hoe meneer zijn arm om mevrouw heen slaat en lacht.

Godzijdank, meneer  Puskás  lacht. Dat hadden we even nodig. De crisis mag voortduren, de herfst mag een voorschot nemen op een bar koude winter en het vertrouwen in politiek en overheid mag gestaag blijven kelderen. Niets aan de hand mensen, gaat u maar rustig slapen.

Meneer Puskás lacht.

 

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (22-11-2013)

Water

‘Geef je niet te veel water aan de planten?’

Een vrouw, een man, een vertrekhal. Hij geeft haar een knuffel en dan een kus op haar voorhoofd. Zij zoekt haar paspoort, aait hem door zijn grijze haar. Ze laten elkaar los, zij stapt de rij in, hij loopt zwaaiend achteruit.

En dan die zin.

Te veel water is niet goed voor planten, dat weet iedereen. Het is een goede tip. Maar toch. Er moet een voorgeschiedenis zijn. Een eerdere trip, een vrouw die zich zorgen maakt om haar man alleen. De andijviestamppot is voor zaterdag, anderhalve minuut in de magnetron. En een doodgoede man die de goudvis vermoordt en de planten verzuipt.

Hij ziet zijn vrouw verdwijnen tussen de grote gele borden. Met een peuk tussen zijn lippen wandelt hij door de draaideur. Nu kan ’t even.

Beneden botst hij tegen een familie met enorme koffers op. Gebruinde koppen, Corendon-stickers, Amsterdamse tongval. Terug uit Turkije, iets met veel a’s. Of hij niet uit zijn doppen kan kijken. Dooie lul.

Op een bankje rookt hij er nóg maar een. Boven de letters I amsterdam toont een groot scherm oud sportnieuws met ondertiteling. Tientallen toeristen poseren voor, achter, tussen en op de gigantische  letters. De man tikt zijn sigaret af op de rand van de fontein, kijkt nog even naar een vertrekkend vliegtuig en wandelt dan richting zijn auto. Straks zal hij liefdevol de planten een klein beetje water geven.