Categorie archief: Leidsch Dagblad

Requiem

De houten bankjes hadden comfortabeler gekund, maar de muziek is prachtig. Vrijdagavond in de Marekerk. Een rij voor me zit een jongen van een jaar of vijftien. Hij draagt hetzelfde donkerblauwe colbert als zijn vader, die naast hem zit. Een strenge doch rechtvaardige leraar bijbelonderwijs. Of een uitvaartondernemer van de oude stempel.

Je hoeft geen fantasie te hebben om te zien hoe de jongen er over dertig jaar uitziet. De vorm van zijn hoofd, de houding, de onberispelijke scheiding in het donkere haar: in alles is hij een kopie. Precies op dezelfde momenten wijzen ze naar het programmaboekje. Precies met evenveel volume klappen ze heel beschaafd hun handen donkerblauw.

Een paar rijen achter me zitten een dame en een heer van respectabele leeftijd. Op alle andere rijen trouwens ook, maar daar gaat het even niet om. De dame in kwestie geeft om de paar minuten commentaar. Soms kort en lovend (‘Mooi!’, ‘Prachtig!’, ‘Schitterend, zeg!’), soms iets langer en opbouwender (‘Die tenor zat er even goed naast, Hendrik! Hoorde je dat?). Ze lijkt in de veronderstelling dat alleen Hendrik haar kan horen.

Het programmablaadje heb ik voor me neergezet. Dankbaar houd ik de voortgang bij wanneer ik het koor weer ‘gloria’ of ‘benedictus’ hoor zingen. Ergens tussen de delen ‘sanctus’ en ‘agnus dei’ valt het me voor het eerst op. De stem van de dame achter me, direct gevolgd door het draaiende hoofd van de jongen. Bij elke nieuwe opmerking beweegt hij zijn hoofd sneller en verder. Kwaad kijken is een kunst die hij uitstekend beheerst. Tegen de tijd dat we bij ‘agnus dei’ zijn aangekomen, voel ik zijn gitzwarte wenkbrauw mijn enkels kietelen.

Het applaus dat de pauze inluidt is nog niet weggestorven, of de dame achterin begint aan haar evaluatie. De dirigent maakt zich wel erg druk, vindt ze, en sommige leden van het koor kan ze helemaal niet zien. Ze maant haar Hendrik om snel op te staan. Ze is geen 86 geworden om in de rij te staan voor een kop koffie.

De jongen voor me krabt aan het driehoekige plukje haar dat ook over dertig jaar nog zijn nek zal sieren. Dan draait hij zich om en laat zijn ogen over de rijen achter hem gaan. De zwarte borstel daarboven beweegt heel zachtjes op en neer. Zijn vader ziet het en slaat een arm om hem heen. Hij fluistert iets. Laat het gaan, maak je niet druk, let op de muziek – of wat gereformeerde uitvaartondernemers dan ook fluisteren tegen de jongere versies van zichzelf.

De bel klinkt, het stuk gaat verder. Het kost me moeite op de muziek te blijven letten.

Leidsch Dagblad, 9 februari 2018

Fijne dagen

“Ik voelde me gewoon belazerd, Ramoon.” Hij duwt het laatste stukje oliebol naar binnen terwijl Ramoon de poedersuiker van zijn schouder veegt. Ze legt haar wanten op de houten sta-tafel, warmt haar handen aan een mok met glühwein. Naast haar staat een ventje met een chocolademelksnor. Hij kijkt aandachtig naar een kerstman die ‘Let it Snow’ zingt.

“Als er staat ‘ijs inclusief’, dan ga ik niet betalen voor een softijsje. Simpel. Daar boek ik geen all-inclusive voor.” In zijn mondhoek is nog wat poedersuiker zichtbaar. “Maar ja, Nederlands spreken ze ook al niet, dus leg het maar eens uit.” De kerstman is inmiddels doorgelopen, het jongetje stort zich opnieuw op zijn chocolademelk.

“Snap ik, Don, maar ik wil gewoon naar Turkije. En Jake ook. Toch, Jake?” Maar Jake is al weggelopen. Met de beker in zijn hand wandelt hij naar de levende kerststal. Voor de koe blijft hij doodstil staan. “Je moet gewoon goed op die site kijken,” zegt Ramoon. “Of ze Nederlands spreken. Dat staat er altijd bij.”

Don kijkt moeilijk, plukt wat aan zijn mouw. “Ik dacht: waarom gaan we niet gewoon naar mijn ouders? Op die camping is plek zat. En er is een verwarmd zwembad.” Hij wacht even, om dat laatste punt goed in te laten werken. “Oké, het is niet de Turkse Rivièra, maar het scheelt wel een hoop geld.” Weer een strategische pauze. Ramoon neemt een stevige slok glühwein. “Ik wil naar de zon, Don. Niet naar Noordwijkerhout.” Ze knalt haar mok op de tafel. Jake staat nog altijd ademloos voor de kerststal. De zingende kerstman is er ook bij komen staan. ‘It’s the most wonderful time of the year’.

“Ik wil zon en ik wil eten wanneer ik daar zin in heb. Is dat zo moeilijk?” Ze trekt haar wanten weer aan en roept haar zoontje. Met één want haalt ze de chocolademelk van zijn bovenlip. “Waarom moet jij altijd zo moeilijk doen? Wat kan jou dat ijsje nou schelen?” Don haalt zijn schouders op. Hij trekt een pak shag uit zijn achterzak. “Het gaat niet om dat ijsje. Ik voelde me belazerd. Gaan we naar huis?” Ramoon pakt de hand van Jake. “Jij wil naar Turkije, hè boef?” Het ventje rukt zich los en rent naar een reusachtige kerstboom vol knipperende lichtjes. Ramoon vloekt. ‘It’s the happiest season of all’, zingt de kerstman.

Leidsch Dagblad, 16 december 2016

Frisse blik

‘Frissebliksessie’. In de verder doodstille ochtendcoupé blijft het woord hangen als een lastige mug. De vrouw die het uitspreekt, is zo te horen al uren wakker. Het gezoem gaat verder, net als je denkt dat de mug de kamer uit is. ‘Besluitvorming’. ‘Whiteboards’. ‘Managementlaag.’ Na iedere bloedserieuze zin die ze in haar telefoon tettert, stoot ze een nerveus lachje uit. Onbewust, waarschijnlijk. De man naast haar rolt met zijn ogen en grijpt naar zijn koptelefoon.

Die dagen zitten ertussen. De muesli is op, de ochtend te donker, de koffie te slap. Je vergist je in de eerste herfstkou, voelt je handen afsterven op de fiets. De wind en regen zijn sterker dan je capuchon. Iedereen heeft haast, iedereen moet een andere kant op, niemand steekt z’n hand uit. De stalling bij het station is vol, je ov-chipkaart leeg. Je was precies op tijd geweest als je trein niet was vertraagd.

Zo’n humorloze vrouw die continu lacht. Daar zijn vast ook mannen van, maar ik ken ze niet. Nu heeft ze het weer over stiften, die ze natuurlijk geen stiften noemt. Nee, Peter zou voor whiteboard markers zorgen. Nee, niet Monique, Monique is van de indeling. En denk eraan dat ze wel ‘en groupe’ moeten wisselen. Anders moeten ze ieder voor zich op het rooster gaan kijken, dat wordt een bende. Wil ze dat nog even aan Monique doorgeven? Ze lijkt met iedere zin harder te gaan praten, rommelt wat in haar tas en zegt ‘zij wilt’ waar ze ‘zij wil’ bedoelt.

Zo’n dag. Toch weer later van werk vertrokken dan je wilde, toch weer donkerder dan je dacht. Ja, vergeten die fietslampjes te kopen. Je zadel is zeiknat, had je dat lelijke reclameplasticje maar niet moeten weggooien. Bij de Albert Heijn zijn de mandjes op. Mensen treuzelen voor het koelschap, altijd bij het product dat jij nodig hebt. Je bent de enige Nederlander die geen bonuskaart heeft. Na het afrekenen bedenk je nog drie producten die je mee had moeten nemen. Voortaan in het weekend boodschappen doen, had je jezelf beloofd. Voor de hele week, zoals grote mensen doen. Het is nog iets harder gaan regenen, met je zomerschoenen glip je van je trappers en je tasje scheurt net niet van je stuur. Koken, eten, douchen, naar bed. Morgen met een frisse blik weer op.

 


Leidsch Dagblad, 11 november 2016

Pakjes

Niks zwartepietendiscussie. Bij ons in de familie is de jaarlijkse Sinterklaasvete weer geopend: kamp lootjestrekken versus kamp dobbelsteenspel. Dit laatste behelst een proces waarbij net zo lang goedkope teringzooi wordt doorgegeven totdat ook de laatste deelnemer kotsmisselijk is van de chocoladekruidnoten, waarna iedereen met ten minste vier ongewenste producten huiswaarts keert. Tussendoor wordt er met een dobbelsteen gegooid. Voorstanders van het lootjestrekken daarentegen bepleiten een ouderwets gezellige pakjesavond, waarbij de ontvanger een cadeau mag uitpakken dat speciaal voor hem/haar is aangeschaft en dat begeleid wordt door een persoonlijk gedicht. Idealiter wordt de betreffende persoon in dit schrijfsel vakkundig met de grond gelijk gemaakt, zij het met een niet mis te verstane ondertoon van pure liefde.

De laatste jaren is het gedichtenkamp goddank aan de winnende hand, maar een uitgemaakte zaak is het ook dit jaar niet. Misverstanden als ‘het gaat om het spelletje’, ‘we zijn toch zeker geen kinderen meer’ en ‘het maakt uiteindelijk niet uit wat je krijgt’ blijken hardnekkig. En schijnbaar zijn er nog steeds familieleden die niet zitten te wachten op cadeaus van enige kwaliteit met op de koop toe een portie poëtische hilariteit. Liever vragen zij zich iedere paar minuten af of ze de zelfklevende theedoekhoudertjes of het nagelschaartje ‘Touch of Beauty’ naar links gaan doorgeven. Voor de liefhebber: deze laatste is voor 98 cent verkrijgbaar bij de Action (maximaal twee units per klant).

Natuurlijk, er kleven ook nadelen aan zo’n gedichtenfestijn. Er is altijd wel iemand (niet zelden de vader des huizes) die zijn taak als dichter te lichtvaardig opneemt en twee minuten voordat het spektakel van start de laatste hand legt aan zijn bij elkaar gerijmwoordenboekte wanproduct. En dan is er meestal nog de geboren ouwehoer die het gezelschap zes A4’tjes lang verveelt met verhandelingen over een Sint die geen idee heeft wat hij dit jaar weer voor die-en-die moet kopen. Maar nadat je deze pijnlijke vertoningen hebt uitgezeten, kun je tenminste wel een noemenswaardig cadeautje uitpakken. En daar gaat het tenslotte om, nietwaar?

 


Leidsch Dagblad, 4 november 2016

Zelfhulp

Na alle ophef over kunstgrasvelden speelde ons nog altijd ongeslagen zevendeklasse-elftal deze week voor het eerst in tijden weer eens op echt gras. Hobbeliger dan de Noordwijkse duinen, deze Alphense mat, maar na afloop kon je wel die ouderwetse kluiten tussen je noppen vandaan peuteren. Ze hadden er zelfs borstels voor staan, van die klassieke rode schoenenpoetsers die ik voor het laatst als pupil gebruikte. Nog lekkerder was het om je noppen daarna een paar keer hard tegen de bakstenen muur te trappen.

Ook de geur in de sporttas is anders wanneer je op echt gras hebt gespeeld, zeker na een paar dagen. Aardser, mannelijker. Muf, dat wel, maar met een zweempje Boer zoekt vrouw. Onze keeper annex vinoloog zou het een toets van truffel kunnen noemen. Op het moment dat deze krant verschijnt is de tas overigens weer fris en klaar voor de volgende zondag. Althans, dat heb ik mijn vriendin beloofd.

Ook mezelf heb ik iets beloofd. Of beter gezegd: een opdracht gegeven – los van het wassen van mijn voetbalkleding. Het is een mentale opdracht, die erop neerkomt dat ik beter om wil gaan met kleine tegenslagen. Ik lees praktisch nooit zelfhulpboeken of managementliteratuur, maar nadat iemand me ‘The 7 Habits of Highly Effective People’ aanraadde, ben ik toch eens gaan bladeren. En daarna gaan lezen. Aanvankelijk met de nodige scepsis (en nog altijd niet zonder voorbehoud), maar één inzicht heb ik er alvast aan overgehouden. Vrij vertaald komt het hierop neer: je kunt je beter richten op de dingen waar je invloed op hebt, dan op iets waar je toch niets over te zeggen hebt.

Klinkt niet zo schokkend, zou je zeggen. Toch betrap ik mezelf erop, vooral op het voetbalveld, dat ik me hiervan te weinig bewust ben. Ik scheld op een medespeler die een ziekenhuisbal geeft, mopper op een scheidsrechter die een situatie anders inschat en vervloek een andere medespeler die mijn briljante steekbal niet begrijpt. Zonder erbij stil te staan dat mijn briljante steekbal zijn ziekenhuisbal is – en andersom. Dat gaat vanaf nu dus anders. Mocht het genoemde (en nog altijd ongeslagen) elftal dit weekend onderuitgaan, dan ligt dat hoe dan ook niet aan de scheidsrechter, de medespeler of het levensgevaarlijke kunstgras. Ik zal de hand in eigen boezem steken en zachtjes bidden om kalmte, moed en wijsheid.


Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (14-10-2016)

Middelvinger

Onder haar zwarte kisten kraakt een tapijt van plastic bekers. Een meisje, een bankje voor het station, de ochtend na 3 oktober. Ze draagt een spijkerjack met een gigantische middelvinger en daarboven het woord ‘Troublemaker’. Een schoonmaakwagen nadert, ze gaat nog harder in haar telefoon praten. “Hij snapt mijn levensstijl niet,” hoor ik haar zeggen. Ze schermt één oor af en draait zich half om – dikke vinger voor de schoonmaker.

Verderop op het bankje zit een man met twee kapsels. Van de voorkant Theo Maassen, van de achterkant Ronald Waterreus eind jaren negentig. Daaronder een mouwloos shirt waar ‘I love LDN’ op staat. Tussen zijn voeten klemt de man een halveliterblik Albert Heijn-bier, dat omvalt wanneer hij een meeuw wegschopt. Hij merkt het niet, of vindt het wel best. Uit zijn broek haalt hij een pak shag, dat hij voorzichtig naast zich neerlegt. Hij laat zich achterover op het bankje vallen en laat een boer die het schoonmaakwagentje overstemt.

“Serieus, Samant, hij begrijpt mij gewoon niet.” Ze tilt haar zware schoenen op voor een man met een bezem. “Weet je wat hij van de week zei? Dat hij uit het leven wilde stappen.” De veger kijkt eventjes op. “Dat zeg je toch niet?” Opnieuw verheft ze haar stem. Hier moet ik haar gelijk in geven: zoiets zeg je niet. Auto’s, intercity’s, ondernemingen, daar stap je uit. Boybands, voor mijn part, of de achtbaan op de 3-oktoberkermis. ‘Uit het leven stappen’, dat klinkt alsof je morgen opnieuw in de rij kunt gaan staan. ‘Koop uw penningen aan de kassa voor de volgende rit!’

“Ik zweer je, die gast spoort niet,” zegt het meisje. Ze neemt afscheid van Samant en loopt naar het station. Haar kisten slepen over de tegels, die opdrogen van de poetsbeurt. Ze passeert de man met de twee kapsels, die in slaap is gevallen. Zijn mond hangt een stukje open. Het meisje lacht. Haar middelvinger heeft iets ontwapenends als ze verder stapt richting stationshal – de eerste intercity tegemoet.


Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (07-10-2016)

Me-time

Het is geen bakfiets, het is een huifkar met een stuur waar ze op rijdt. Op de zijkant vormen groene stickers de naam Sem. Ze parkeert het ding op de stoep en ritst een plastic flap open. Alleen Sem stapt uit, hoewel er plaats genoeg was geweest voor zijn complete hockeyteam. Hij geeft moeder een kus en rent naar de overkant van de straat. Moeders zet haar telefoon aan haar oor en ploft neer bij het koffietentje. “Hé schat,” zegt ze. “Ben je al in de buurt?”

Twee minuten later schuift een kopie van de vrouw aan. Zelfde grote ronde bril, zelfde donkerblonde staart, vrijwel dezelfde kan-nog-net-jurk met stipjes. “Dag wijffie,” zegt nummer twee. “Sem al weggebracht?” Ze knikt. “En jij? Lekker aan het werk?” De vrouw moppert wat over papierwerk en nieuwe regeltjes. Maar, voegt ze er snel aan toe, de vrijheid is heerlijk. Ze bestellen allebei thee met een moeilijke naam.

“Morgen heb ik een afspraak bij mijn masseuse,” vertelt Sems moeder. “Even wat me-time.” Haar vriendin kijkt begrijpend terwijl ze roert door haar thee zonder suiker. “Echt hè? Sinds Julia is geboren, ben ik niet eens meer naar de kapper geweest.” Met een glimlach die zegt ‘maar je krijgt er zoveel voor terug’ pakt ze een chocoladekoekje.

“Weet je wat, anders ga je toch gewoon mee? Dat vindt Marieke helemaal gezellig, joh. Mijn masseuse.” Twijfel in haar ogen. Aan alles zie je dat ze er eigenlijk geen zin in heeft. “Ik heb wel een deadline maandag. En ik moet Mees naar repetitie brengen. Anders volgende week?” Volgende week is helemaal prima, vindt Sems moeder. Ze kijkt op haar horloge en dan naar de overkant van de straat. Op dat moment gaat haar telefoon.

“Ja, lieverd? Hm-hm.” Ze blaast in haar thee die allang niet meer heet kan zijn. “En van zijn moeder mag het?” Lachend kijken de vriendinnen elkaar aan. “Is goed, lieverd. Dan haalt papa je vanavond op.” Ze bestelt een extra kop ingewikkelde thee. “Wil je echt niet?” De vriendin staat op. “Nee, ik moet weer aan het werk. Het is niet alleen maar vrijheid hè, als freelancer.” Ze loopt naar haar fiets, een robuust geval met zitjes voor en achter. Echt zo’n fiets die kinderen vervoert zonder hele fietsstroken in beslag te nemen. De moeder van Sem knikt. “Ik snap ‘t, schat.” Het is hard werken, dat weet zij ook wel. Maar je krijgt er zoveel voor terug.


Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (30-09-2016)

Kleintje

“Ik ga je even zoenen, hoor!” Een terrasboot op de Nieuwe Rijn, een bloedhete dag in september. Twee meisjes van een jaar of achttien beuken hun hoofden tegen elkaar, waarbij ze allebei ‘mwah! mwah! mwah!’ roepen. “Oh my god, Vick,” zegt het ene meisje. “Hoeveel weken ben je nu?” Vick schuift wat met haar voeten. “Zes weken.” – “Oh my god. Dan leeft het al en zo!” Ze knikt en steekt haar hand op om nog een drankje te bestellen. “Soms denk ik dat ik iets voel schoppen. Maar volgens mijn moeder kan dat nog helemaal niet.” Haar vriendin kijkt verbaasd. “Wat weet die er nou van?”

Een gehuurde sloep vol bezopen zestigers komt voorbij. Een rood aangelopen man staat op de voorplecht een verhaal af te steken, van tijd tot tijd klinkt gelach. Hij wankelt even; de schipper ondersteunt hem. Het gelach klinkt harder, maar de man gaat door met zijn verhaal.

Vick en haar vriendin bestellen twee Radlers 0.0 om het te vieren. “Echt tof, man. Hoe reageerde Kevin?” Vick kijkt naar het tafeltje. “Nee!” roept de vriendin. “Nee, dat meen je!” Ze lachen allebei terwijl de serveerster hun glazen neerzet. “Wanneer wilde je ’t hem vertellen dan?” Ze trekt haar schouders op. Net onder haar sleutelbeen staat een tekst geschreven. Een naam met een hartje, zo te zien.

“Ik weet niet of ik hem er wel bij wil hebben. Hij lijkt me gewoon geen vader of zo.” Even laat ze haar blik over het water gaan. De sloep heeft aangelegd aan de overkant. De man heeft een lied ingezet, de rest van het gezelschap valt bij. Een nummer van Guus Meeuwis met een eigen tekst. Kedeng-kedeng.

Vick schudt haar hoofd. “We waren sowieso even ‘on a break’.” De vriendin knikt. Ze haalt een pakje sigaretten uit haar tas en kijkt vragend. Vick vindt het goed. “Mijn moeder rookt ook binnen.” Het meisje gaat achterover zitten en blaast kleine rookwolkjes uit.

“Het zal wel schrikken zijn voor hem, denk ik,” zegt de vriendin. Vick speelt met een bierviltje, begint dan te lachen. “Nou ja, een kleintje had hij toch al.” Haar vriendin verslikt zich in haar sigaret, ze maakt wilde gebaren met haar arm. “Weet je trouwens zeker dat het van hem is,” vraagt ze als ze is uitgelachen.

Vick blijft stil. Het gezicht van de vriendin verstijft. “Nee. Nee! Oh my god, Vick. Slet! ” Terwijl de rode man aan de overkant op een haar na de gracht in wandelt, bestellen de meisjes nog een Radler. Lachend stoten ze hun glazen tegen elkaar. Op het kleintje, al dan niet van Kevin.


Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (23-09-2016)

‘Can we have your liver?’

Laat ik optimistisch beginnen: er wordt in elk geval over orgaandonatie gesproken. Als het nipt aangenomen voorstel van D66’er Pia Dijkstra tot nu toe iets heeft aangetoond, is het wel dat het onderwerp leeft. Pure winst, ook als het plan niet door de Eerste Kamer komt. Hoe meer mensen een weloverwogen keuze maken, hoe minder dilemma’s dat oplevert voor artsen en nabestaanden. Als het meezit, zitten er nog wat extra ja’s tussen. Maar de reacties op de Kamermeerderheid waren hier en daar stuitend.

Mensen die al jaren donor zijn, verklaren doodleuk een ‘nee’ te gaan registreren omdat ze geen eigen keuze meer kunnen maken. Denkt u daar nog eens rustig over na; redeneren voor gevorderden. Aan de andere kant roepen trotse donors dat ‘wie zelf niet doneert, ook geen organen van mij krijgt’. Het recht op gezondheid geldt kennelijk alleen voor gelijkgestemden.

Op een opiniewebsite die om onduidelijke redenen de ondertitel ‘Voorbij het eigen gelijk’ draagt, geeft men een handig stappenplan om ‘uw organen weg te houden bij de D66-organenrovers’. Waarom? ‘Omdat u geen slaaf bent, ook niet na de dood, en omdat u ook geen oogklepdragend schaap in de deugende kudde van moralistische volgzame burgerschaapjes bent.’ Juist, ja. Maar wel even braaf dit stappenplan volgen en u registreren als niet-donor, omdat deze boze meneer het zegt. En daarna een biertje pakken en proosten op uw onafhankelijk denkende zelf.

U had het al geraden, ik ben voorstander van dit wetsvoorstel. De voornaamste klacht, het verlies van zelfbeschikking, vind ik niet opwegen tegen de levens die gered kunnen worden. Daarnaast: als die zelfbeschikking zo’n belangrijk principe is, waarom hoor ik daar dan in het huidige opt-in-systeem niemand over? Ook nu dient ‘de staat’ een afweging te maken bij mensen die niets hebben ingevuld, zij het dat deze vaker tot een ‘niet-doneren’ zal leiden. Maar het ging om het principe, toch?

Voor de duidelijkheid: dat mensen hun organen niet willen afstaan, dat snap ik. Uit geloofsovertuiging, bijvoorbeeld, of omdat je het een naar idee vindt dat er na je dood aan je lijf geprutst wordt. Prima, vul je ‘nee’ in. Dat je op je hoede bent voor doorgeslagen overheidsbemoeienis, lijkt me ook terecht. Maar geloven we echt dat er straks massaal organen geroofd gaan worden? Dat Tante Pia en Ome Alexander straks in witte jassen aan de deur staan als in Monty Python’s The Meaning of Life? Zou het verschil tussen een ‘nee, tenzij’ en een ja, tenzij’ echt zo groot zijn? Dan heb ik de horrorverhalen uit België, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Spanje en Zweden vast even gemist.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (16-09-2016)

Fanta met een rietje

In de hoek van het café zit een man met een stalen gezicht op knoppen te rammen. Lichtjes springen wild over de kast, getallen verdwijnen even snel als ze verschijnen. De man draagt een lichtblauw pak van linnen dat Italiaans bedoeld is. Bovenop de gokkast staat een fluitje waar hij soms secondenlang zijn hand om laat rusten, waarna deze weer afzakt naar een knop of gleuf. Zo bedachtzaam als hij zijn linkerhand verplaatst, zo onbehouwen raast zijn andere hand van lichtje naar lichtje. Hij draait kort zijn hoofd om als een vrouw met een spuitbusbruine huid de kroeg binnen stapt.

Haar spaghetti-shirtje en plateauschoenen hebben dezelfde kleur, wat niet zou opvallen als die kleur niet knalroze was. Zonder dat ze iets hoeft te zeggen, krijgt ze een flesje Fanta van het barmeisje, dat moet lachen. Ze wijst naar het rietje en dan naar het topje. ‘Ja,’ zegt de vrouw, en zet het rietje aan haar lippen. Even kijkt ze op als de man in de hoek ‘tyfus!’ roept.

Het meisje gaat glazen spoelen die de komende uren niet nodig zullen zijn. Verderop aan de bar zit een man gebogen over een sportkrant. Hij heeft een baard en een bril, maar zal door niemand voor hipster worden versleten. Hij moppert over de bondscoach en het bord voor diens kop. Het meisje hoort het aan, spoelt de glazen – ze heeft geen mening over Danny Blind. De man aan de knoppen zwaait met zijn armen; ze tapt een nieuw fluitje.

Op het scherm naast de gokkast zijn twee oud-voetballers met elkaar in gesprek. De krantenlezer komt af en toe overeind, kijkt met een strak gezicht naar de tv en buigt zich dan hoofdschuddend weer over de bar. Als de wedstrijd begint, vouwt hij de krant dicht en installeert zich dichter bij het scherm. Het barmeisje zet bakken met nootjes neer en haalt een nieuwe Fanta. “Gezellig hè,” zegt ze. De roze vrouw, die zit te appen, heeft het niet gehoord. De man naast haar maakt zich kwaad over de opstelling. Ik drink mijn glas leeg en besluit thuis verder te kijken.

Als ik opsta, klinkt vanuit de hoek een doffe klap. De man in het lichtblauwe pak ligt een paar tellen roerloos op zijn rug. Dan beweegt hij zijn hoofd. “De tyfus!” roept hij, terwijl hij traag overeind komt. Hij pakt zijn fluitje, drinkt het leeg en beent wankel de kroeg uit. Het meisje zet de kapotte kruk recht, de man met de baard schudt zijn hoofd. De vrouw in het roze zuigt haar Fanta naar binnen.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (09-09-2016)