Babbeltruc

‘Meneer, mag ik u wat vragen?’

Voor ik kan reageren zit de man al midden in een verhaal. Auto kapot, opgelicht door de garage, bankpasje geblokkeerd. Zijn toon is vlak, zijn praatje ingestudeerd. Deze man zou een debat met Henk Krol kunnen verliezen. Hij komt iets te dichtbij voor zijn voorspelbare slotvraag – of ik misschien een eurootje kan missen. Ik ruik zijn adem en verdwaal in beelden van enge sigarettenpakjes. ‘Sorry,’ mompel ik en met een opgeladen ov-chipkaart loop ik het station in.

De NS-stem heeft het al een paar dagen over een ‘intercity naar Dordrecht en Dordrecht’. Een andere NS-stem biedt ons vanwege ‘de situatie’ een gratis kop koffie of thee aan. Handig woord, ‘situatie’. Geruststellend ook: de eerstvolgende keer dat ik ergens een gigantische teringzooi van maak, kan ik het gewoon een situatie noemen. Met de koffie is niets mis.

De conductrice somt bij elk station alle overstapmogelijkheden op, inclusief vertrektijd, spoornummer en doopnamen van de dienstdoende NS-medewerkers. Er is één iemand in onze stiltecoupé voor wie deze informatie nuttig zou kunnen zijn: een enorme Amerikaan met een enorme koffer. Hij verstaat er geen reet van.

Een man met een baard komt de coupé binnen. Op zijn net niet zuivere gitaar zingt hij een net niet zuivere versie van Knockin’ on Heaven’s Door. Hij gaat met de pet rond. Alleen een chic geklede oudere vrouw geeft iets. Typisch zo’n oudere die het wél goed heeft, die met haar fortuin het gemiddelde van al die arme oudjes opkrikt. Want denk erom dat ze gepakt worden.

Als ik opsta hoor ik de conductrice waarschuwen voor zakdoekjeleggers die in deze trein actief zijn. Ik zie dat het meisje naast me Kamergotchi speelt. Een bozig gezicht vult haar scherm. Henk Krol heeft honger.

 


Leidsch Dagblad, 24 februari 2017

Geef een reactie

Your email address will not be published / Required fields are marked *