Maandelijks archief: mei 2016

Groen licht

“Hier word je toch letterlijk doodziek van.” De man vóór me beweegt zijn trappers achteruit en drukt nog maar eens op de knop. Hij heeft het felrode brilletje van zijn tienjarige dochter opgezet, zwartbehaarde benen steken uit zijn witte korte broek. Als voorop de fiets geen klein ventje had gezeten, was papa al lang door rood gereden. “Man, man, man,” zegt hij wanneer opnieuw een rij auto’s in beweging komt. “Dit gaat toch nergens over?” Hij ramt op het knopje alsof hij Mortal Kombat speelt tot het uiteindelijk groen wordt. Het zoontje juicht.

Een stoplicht verder sta ik weer achter de man. Nu is hij aan het bellen over iets nogal belangrijks, iets wat aangevlogen moet worden en handen en voeten moet krijgen. Het zoontje roept intussen steeds iets harder ‘papa’, net zo lang tot deze hem een pakje drinken geeft – zo’n rode Wicky met een vakje waar niemand ooit een naam in schrijft. Het belang van het besproken onderwerp is inmiddels benoemd: het is wel even een dingetje. De vader denkt gelukkig wel dat hij het kan managen, al zal er wat damage control aan te pas moeten komen. Het jongetje geeft de lege Wicky aan zijn vader, die het onder zijn snelbinder propt. “Is goed. Cheers, kerel.” Het licht is groen.

Weer een stoplicht later klinkt de mans telefoon. Hij kijkt zijn zoontje aan. “Papa heeft een keer een dagje vrij…” Zijn ergernis is slecht geacteerd – dit is een man die zich graag onmisbaar waant. Tijdens het gesprek drukt hij op schijnbaar willekeurige momenten op het knopje van het verkeerslicht: soms één keer, soms zes keer. Met zijn rechtervoet tikt hij in hoog tempo tegen de stoeprand, terwijl zijn zoontje in het trillende kinderzitje in slaap lijkt te vallen. Het probleem is trouwens opgelost, de man dankt zijn collega voor de snelle heads-up. Ja, hij staat letterlijk al tien minuten voor het stoplicht, gaat echt helemaal nergens over. En o ja, wat dat andere issue betreft: daarbij is het wachten op een go van marketing. Groen licht dus, bij wijze van spreken.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (13-05-2016)

Jari

Atlético Madrid-speler Antoine Griezmann, matchwinner in een met 2-1 verloren Champions League-duel, speelde dinsdagavond op één roze en één gele voetbalschoen. Dat mag natuurlijk – we vieren de vrijheid – maar opvallend is het wel. Traditionele voetbalschoenen worden sowieso steeds zeldzamer in het hedendaagse voetbal. Zelfs in mijn eigen zevendeklassezondagvriendenteam zijn de roze, felgele en babyblauwe kicksen niet aan te slepen.

Niets voor Jari Litmanen, gekleurde voetbalschoenen. Het was misschien wel de mooiste anekdote die de afgelopen week voorbijkwam: dat de Fin begin deze eeuw twintig paar Copa Mundials (zwart met witte strepen) insloeg, omdat hij bang was dat Adidas ze ooit uit de handel zou halen. En dat hij op een ander model zou moeten spelen – Sjakie zonder zijn wondersloffen. Ze moeten nog ergens in een kast in de Arena liggen, die veertig schoenen. En Adidas produceert ze nog steeds.

Een briljant voetballer, een bescheiden man, maar bovenal een liefhebber, die Jari Litmanen. Inmiddels is hij 45 jaar, de man van glas, maar hij pakt nog altijd zijn wedstrijdjes mee. En soms, als ik Ajax zie voetballen, vaak net een tempootje te laag, dan denk ik Jari ertussen. Zijn achteloze aannames, zijn subtiele beheersing, zijn keuzes die altijd de juiste leken. De schoonheid van zijn spel school soms ook in de eenvoud – klasse zonder aanstellerij. Geen grote gebaren, een vingertje in de lucht als hij had gescoord. Als het een belangrijke goal was, deden zijn armen mee. En altijd het deinen van die zwarte mat in zijn nek tijdens een dribbel.

Litmanens voorkeur voor de Copa Mundial-schoen bleef ook bij Adidas niet onopgemerkt. Op een goed moment kreeg hij een sponsordeal aangeboden. Voorwaarde was wel dat hij altijd op de nieuwste modellen zou spelen. Litmanen bedankte vriendelijk en bleef bij zijn vertrouwde Copa Mundials. Met één verschil: vanaf dat moment maakte hij met een stift de beroemde ‘drei streifen’ zwart. Hij wilde geen reclame maken voor Adidas.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (06-05-2016)

Autoverkoper

Als je op Google ‘autoverkopers’ intypt, is de eerste suggestie die de zoekmachine geeft ‘autoverkopers onbetrouwbaar’. Geheel onbevooroordeeld loop ik richting de sectie ‘occasions’ van de Toyota-dealer, met in mijn kielzog mijn geliefde (voor de broodnodige bezinning) en mijn ouders (voor de broodnodige expertise). Ik heb me inmiddels aangeleerd bij de aanschaf van een auto minder impulsief te zijn dan bij het scoren van nieuwe sneakers of een overhemd, maar voor de zekerheid omring ik me graag met wat dierbaren – je weet maar nooit wat zo’n gladjanus je anders aansmeert, nietwaar?

Nadat ik me al een minuut of tien tussen de oerdegelijke Yarissen en overdreven compacte Aygo’s doorwurm op zoek naar die leuke Fiat Grande Punto die ik had gezien, meldt zich dan toch de verkoper. Een kleine man van een jaar of vijftig in een geruit overhemd zonder das – meer een postzegelverzamelaar dan een autoverkoper. Nadat hij ons heeft begroet en de Punto heeft aangewezen (“Leuk bakkie inderdaad”) staat hij vooral zwijgend toe te kijken. Enigszins trots op mijn kritische blik wijs ik mijn hulptroepen op wat kleine schade aan de achterkant van de auto. “Hmm, ja,” mompelt de verkoper. “Kunnen we lijmen.” Hij wrijft er wat met zijn vingers over; mijn blik valt op zijn enorme trouwring. “Ja, kunnen we lijmen.” Zijn schoenen zijn Ecco’s.

Na de proefrit is het moment daar: sterk zijn nu, geen ruimte laten voor twijfel. “We slapen er nog een nachtje over.” Ik zet me schrap, verwacht een tegenzet, een aanbod dat we niet kunnen afslaan. Iets met rijklaarkosten en het wegvallen daarvan, misschien een slap verhaal over garantie en grote beurten, of desnoods een gratis EHBO-setje. Niets daarvan. De man knikt, overhandigt me zijn kaartje en sluit af met “Ik hoor het graag.” Lichtelijk verward verlaat ik de Toyota-dealer, mijn dierbaren in mijn kielzog.

“Leuk bakkie toch?”

– “Ja, leuk bakkie.”

Wanneer ik thuis google op ‘autoverkopers onbetrouwbaar’, stuit ik op enkele interessante weetjes. Zo blijken autoverkopers de meest gewantrouwde beroepsgroep onder Nederlanders. Zelfs advocaten en politieagenten vinden we veel betrouwbaarder. De enige beroepen die qua onbetrouwbaarheid in de buurt komen, zijn politici en journalisten.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (15-04-2016)

Verkeren

Foreholte uit, de eerste warme dag van het jaar. Met een zwaarbevochten 4-4 in de tas keren de heren van SJC 7 huiswaarts. Op de Leidsevaart is het druk in de richting van het strand. Een man in een grijze Volvo gebaart dat ik er wat hem betreft door mag en tussen het inmiddels geheel stilstaande verkeer door sla ik linksaf richting Leiden. Als ik de Volvo nauwelijks voorbij ben, schiet er een motorrijder tevoorschijn die juist bezig was de file over de verkeerde weghelft in te halen. Hij wijkt uit, schampt mijn rechtervoorkant en weet wonderwel op het droge te blijven. De vrouw die achteropzat – naar later blijkt zijn dochter – maakt nog de grootste smak.

Zo mag ik in mijn 31e levensjaar weer eens een ‘first’ bijschrijven: mijn eerste aanrijding. Wat het verdict precies gaat worden voor mijn 17-jarige Renault Clio is bij het ter perse gaan van deze column nog niet duidelijk, maar in dit soort gevallen hoor je volgens mij te zeggen dat het een stuk slechter had kunnen aflopen. Je zou kunnen zeggen dat het een stuk beter was afgelopen als de scheidsrechter twee minuten eerder had afgefloten, maar dat vind ik flauw. Zo’n man is vrijwilliger. Bovendien hadden we dan die 4-4 niet meer gemaakt. Nee, al met al is het behoorlijk goed afgelopen. Blikschade, onhandige handjes (“toch nog een fijne dag”) en betrokkenen met een verhaal voor de maandag.

Die avond lees ik op Facebook een bericht: ‘Getuigen gezocht’. Iemand heeft op een zebrapad op de Burggravenlaan in Leiden twee jongetjes aangereden. Het gaat om een lange man, zestigplus, grijs haar en een klein rond brilletje. Ten overvloede wordt nog vermeld dat hij in een Volvo V70 rijdt. De jongens, negen en tien jaar oud, hebben kneuzingen en schaafwonden. De man is kort uitgestapt en toen vlot weer doorgereden. Aai over de bol, lak checken en gaan. Radio 4 aan, airco op 6 en dan thuis nog maar eens kijken of die jongens zijn wagen echt niet hebben beschadigd. Zul je zien dat hij morgen langs de dealer moet met die bak.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (08-04-2016)

Achterklap

Computerspellen hebben me zelden echt geïnteresseerd, roken heb ik nooit lekker gevonden en drugsdealers hebben geen stuiver aan me kunnen verdienen. Zelfs met het nieuwste seizoen van House of Cards kan ik me redelijk inhouden. Nee, aan mij is geen verslaafde verloren gegaan. Toch begin ik me de laatste dagen zorgen te maken.

Het begon met de volgende kop op Nu.nl: ‘Rechter Frank Visser lacht “eigenlijk de hele dag”‘. Ik besloot hierop te klikken – ook mijn wegen zijn soms ondoorgrondelijk. ‘Frank Visser, jarenlang bekend als De Rijdende Rechter, vindt humor heel belangrijk’ las ik. Poeh hé. ‘Zelf moet hij “eigenlijk de hele dag” lachen.’ Op dit punt moest ik even bijkomen. Nieuws over Syrische kindertjes, gestoorde Noren of stervende dolfijnen neem ik zonder emotie tot me, maar als het gaat om menselijke trekjes bij bekende Nederlanders ben ik een gevoelige jongen.

Maar het was nog niet gedaan met de nieuwswaarde. Zo leerde ik dat de tv-rechter humor de allerbelangrijkste eigenschap van een partner vindt en dat hij nog nooit in het openbaar heeft gehuild. Ik weet niet of dit telt als huilen in het openbaar, maar u mag best weten dat ik op dit punt vocht tegen de tranen. Als ik op dat moment mijn nog droge laptop had dichtgeklapt, was er weinig aan de hand geweest. Helaas, ik klikte op ‘Achterklap’. Veruit het mooiste woord waarmee ooit een beerput is geopend, maar die lucht…

‘Ruben Nicolai vindt kinderen opvoeden niet moeilijk’. ‘Anna Drijver houdt niet zo van aangestaard worden in de trein.’ ‘Liza Sips [geen idee] heeft nog nooit ruzie gehad met haar vriend’. ‘Jet van Nieuwkerk zweert superfoods af’. ‘Max Verstappen vindt zichzelf ingetogen.’ En, mijn favoriet tot nu toe: ‘Peter R. De Vries had eerste seksuele ervaring graag eerder opgedaan.’ De oogst van een middagje – en dan bespaar ik u nog dat Peter Buwalda niet bevriend kan zijn met vrouwen en dat Peter Pannekoek vermoedt dat zijn achternaam in zijn voordeel werkt.

En zo houd ik me al enkele dagen bezig met wat weleens mijn eerste verslaving zou kunnen worden. Natuurlijk, het klinkt simpel: je hoeft het niet te lezen. Ook kwaliteitskranten hebben een website, dat snap ik ook wel. Wie denkt dat het zo simpel is, heeft zelf nooit een verslaving gehad.

Gepubliceerd in: Leidsch Dagblad (18-03-2016)