Maandelijks archief: mei 2014

Davies

Bij Banketbakker Jacobs staan de mensen tot buiten in de rij. De warme broodjes gaan als oranje tompoucen over de toonbank, of andersom. Op een meter of vijftig drijft een ouderwetse voetbal in de gracht. Tenminste, dat zou je denken. Het blijkt de bovenkant van een hoofd. Het is de ochtend van de eerste Koningsdag. Er vormt zich een steeds grotere groep toeschouwers, terwijl veel marktkooplui rustig doorgaan met het aanprijzen van hun waar.

‘Is er een demonstratie,’ vraagt een vrouw aan een politieagente, niet zonder enthousiasme. De agente schudt haar hoofd.

Twee duikers ontfermen zich over het lichaam, dat volgens de meeste omstanders moet hebben toebehoord aan de Engelse jongeman die sinds een week vermist is. Later lees ik dat zijn naam Wayne Davies is. Een naam als een rockster, vind ik, al kan dat ook door mijn voorkeur voor The Kinks komen.

‘Kijk eens hoe goed de zaken gaan!’ roept een bloemenverkoper, wijzend op de mensenmassa voor zijn kraam. Hij staat met zijn rug naar het tafereel en verkoopt daadwerkelijk een bos bloemen.

Met een grote witte zak, waar ongetwijfeld een vakterm voor is, wordt de man de kade op getrokken. Twee schoenen steken uit, voor de rest is er weinig van het lichaam te zien. Wat wel te zien is, heeft het bruin van de gracht overgenomen. Brandweermensen houden – hoe toepasselijk – oranje doeken omhoog. De veel te echte demonstratie is voorbij. Mensen maken zich uit de voeten, op weg naar een pond jong belegen, een tweedehands servies of een grabbelton. Bij Jacobs is het nog altijd druk en ook Velvet Music is geopend: ik meen The Kinks te horen als ik langsloop. Natuurlijk heb ik Wayne Davies nooit gekend; hij kan een Well Respected Man zijn geweest, of een clown op wiens dood gedronken mag worden, maar dat beeld zal ik nooit vergeten. Een vergeten voetbal in de gracht.

Sowieso

De man kijkt me aan alsof ik hem zojuist met de dood heb bedreigd. Dan pakt hij zijn tas en zet deze tussen zijn benen neer. Terwijl ik ga zitten, concentreert de man zich weer op zijn MacBook Air, die wegvalt tegen zijn lichtgrijze maatpak. Zijn handen vliegen over de zwarte toetsen, zijn manchetknopen glimmen als zijn schedelpan. Aan weerszijden resteert een smalle strook haar van een onbestemde kleur, althans: ik ga er even vanuit dat het smerige tonsuurtje doorloopt aan de andere kant.

Aan de overzijde van het gangpad zit een jonge man nogal luidruchtig te telefoneren.  ‘Dus ik heb Michiel even soort van in charge gemaakt,’ zegt hij, met een stem alsof er een complete schaal rosevalaardappelen vastzit in zijn luchtpijp. ‘Want die kan het sowieso dus prima handlen.’ Hij kijkt erbij of hij iets ontzettend intelligents heeft gezegd. ‘Sowieso. Nee, absoluut.’

De man aan mijn linkerkant typt driftig door en ik probeer een naam te vinden voor zijn haarkleur. Zo om de tien seconden valt hij stil en kijkt hij opzichtig nadenkend naar buiten, om vervolgens zijn vingers weer te laten ratelen. Enkele keren houdt hij zelfs drie vingers onder zijn kin tijdens zo’n overpeinzing. Als hij een sik had, zou hij er aan gaan zitten plukken, dat weet ik zeker. Intussen heb ik de krant uit mijn tas gepakt en probeer ik een manier te bedenken om 1) de typende man links van mij – had ik al gezegd dat hij vrij breed zit? – geen elleboog te verkopen en 2) me te kunnen concentreren op de inhoud met die aardappel vlak naast me. Onmogelijk.

Ik vouw mijn krant met enig theater dicht en kijk de bellende man aan. Die trekt zich niets van me aan, of, waarschijnlijker, registreert me überhaupt niet. ‘Ge-ni-aal, gast,’ brult hij in zijn telefoon. ‘Fucking nice!’ De mensen om hem heen kijken wat ongemakkelijk en zo af en toe zucht er iemand, net niet demonstratief genoeg. In een stiltecoupé was het waarschijnlijk al knokken geweest. Naast me hoor ik een diepe zucht. Ik houd het op roestbruin.

De conducteur roept om dat het volgende station ‘de’ Laan van Nieuw Oost-Indië is en overstemt daarmee zowaar het telefoongesprek. Buurman tonsuur heeft zijn MacBook ingepakt in een dure hoes en staat op. Hij passeert me en houdt pal vóór de bellende man stil. Dan grist hij de telefoon uit diens hand, hangt op en geeft de telefoon weer terug. Heel rustig zegt hij ‘Doe dat even ergens anders’ en hij wandelt de trein uit. De beller kijkt zwijgend voor zich uit. Fucking nice, hoor ik de rest van de coupé denken. Sowieso.