Maandelijks archief: december 2013

Zondag

‘Als voetballer heb ik iets van zowel Van Basten als Litmanen, ‘ vertel ik een lokale sportverslaggever. ‘De enkel van de één en de knieën van de ander.’ De verslaggever, tevens teamgenoot in het negende, kan er wel om lachen. We staan onder de douche na een onnodige nederlaag.

Als we niet zo’n ontzettende thuisfluiter hadden gehad, dan was het in de tweede helft vast nog wel gelijk geworden. De  6-1 geeft een vertekend beeld.  Ook zou het waarschijnlijk hebben geholpen als onze keeper Michel  vannacht niet was gezwicht om ‘aan zee’ nog één afzakkertje te komen halen. En misschien had het ook wel geen kwaad gekund als spits David die extra nachtdienst, waar zijn collega vanaf moest, niet had overgenomen, ook al beloofde deze hem kaartjes voor Feyenoord – PSV. Maar we verzamelden vanochtend om 8.15 uur op de club, dat kon precies.

Vanaf een gammel bankje – ‘dug-out’ zou te veel eer zijn – zie ik mijn teamgenoten in de tweede helft zeiknat regenen  op een veld dat er vanochtend prima bij had gelegen. Dat was voordat de mini’s (of hoe heten bij deze club de jongens en meisjes die te jong zijn om in een team met een letter en een cijfer te worden ingedeeld?) het in al hun schattige onvermogen hadden omgeploegd tot de onbespeelbare natte akker die het nu is. En het blijft maar hozen.

Vlak voor tijd begaat de linksback van de thuisploeg een stevige overtreding. Onze Spaanse teamgenoot Eduardo Ruiz blijft kermend liggen. Het is eeuwig zonde dat een man met zo’n prachtige voetbalnaam het balgevoel van een lantaarnpaal bezit.  Ik hoor Spaans dat ik op mijn Prisma-dvd ‘Leer thuis Spaans’ nooit heb gehoord. De scheidsrechter gebaart. Ingooi.

Goed, we verliezen dus volkomen onterecht. Toch is de sfeer in de kleedkamer prima. Michel trekt een krat bier tevoorschijn en Eduardo kan alweer lachen. Alleen verdediger Jan, de man met het rechterbeen van Ronald Koeman, baalt. Zachtjes scheldend trekt hij zijn voetbalschoenen uit en gooit hij zijn vuile shirt op de stapel.

Het wachten is op zijn legendarische ‘Weer een zondag naar de klote!’

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (13-12-2013)

dugout_voetbalveld

Helemahl goed

Wanneer ik de gordijnen van de verlaten wachtkamer een stukje opendoe, begrijp ik waarom deze de hele dag dicht zijn. Een bouwput, een verroeste slagboom en een met lint afgezette parkeerplek. Een plek waar je Gerri Eickhof nog niet neer zou zetten.

Door een ander raam zie ik twee voormalige bushokjes die dienstdoen als rookruimte. De ruiten zijn gebroken, het dak zit vol gaten. Het ziekenhuis heeft zijn best gedaan: alleen de compleet verstokten zullen een koude ochtend als deze trotseren voor hun porte nicotine.

Stipt op tijd word ik geroepen. De anesthesist klinkt als prins Bernhard. Hij doet me denken aan een professor uit een tekenfilmserie. Iets met een vogelbekdier, maar niet Ovide.  Afijn.

‘Kun je nog een beetje mehr op je roek draaien?’

Ik draai wat meer op mijn rug.

‘Ja, zeer goed. Helemahl goed.’

Even later lig ik in een lawaaierige en krappe tunnel met een koptelefoon op mijn hoofd en een band om mijn arm. In mijn linkerhand krijg ik een noodbelletje, voor als ik in paniek raak. Echt genieten van de muziek kan ik niet, aangezien de apparatuur veel lawaai maakt. Het enige wat ik meekrijg, zijn reclameblokken en I’d Do Anything for Love’. Op zichzelf reden genoeg om op het belletje te drukken, maar ik houd me sterk. En ik bid dat Bryan Adams niet gedraaid wordt.

Een paar minuten later wandel ik naar buiten. Naast me loopt een vrouw die een infuus met zich meesleept, maar niettemin vrolijk lacht. Ze groet een hoogbejaarde man met een looprek dat ongeveer in zijn geboortejaar moet zijn gefabriceerd. Samen lopen ze naar buiten.

Terwijl ik probeer om Meat Loaf uit mijn hoofd te krijgen, bedenk ik me dat ik iemand moet bellen om me op te halen. En dat het vogelbekdier Perry heet.

De vrouw met het infuus en de man met het looprek staan samen in het rookhokje. Ze lachen zoals kettingrokers lachen.

Zeer goed. Helemahl goed.

En dan, op de terugweg – ik zweer ‘t:  Bryan Adams op de radio.

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (06-12-2013)

Rustig aan

Leiden, Diamantbuurt, rond het middaguur. Een man werpt kushandjes naar een raam en roept er hartstochtelijk bij.

‘Rustig aan! Tot gauw!’

Zijn dunne armen armen zijn bedekt met tatoeages en ook onder zijn grijze shirt vermoed ik gekleurde inkt. Hij zal harverwege de veertig zijn.

Aan de andere kant van het venster zit een  mevrouw op leeftijd, op een bankstel dat niet meer in de folders voorkomt. Zo te zien heeft ze kort geleden ‘de haren laten doen’, of hoe zeggen dames van een bepaalde leeftijd dat? ‘Tiny is geweest’, zoiets moet het zijn. In elk geval maakt haar kapsel een keurig gewatergolfde indruk. Ook de kleur is precies goed: onnatuurlijk doch neutraal.

‘Tot volgende week, mam! Rustig aan!’

Een laatste kushand en hij draait zich om.

De noodzaak van zijn laatste oproep ontgaat me. Ze mag er dan onberispelijk gekapt bijzitten, tot veel meer dan wat stapjes opzij  – al dan niet begeleid door Olga Commandeur  –  acht ik haar niet in staat. Hij bedoelt het lief, dat weet ik zeker, maar het klinkt alsof hij tegen Louis van Gaal zegt: ‘geloof in jezelf.’

‘En waar sta jij naar te kijken!?’

Al zijn vriendelijkheid is in één keer verdwenen. Met mijn gemompel neemt hij duidelijk geen genoegen.

‘Nou, bril, gaan we nog antwoord geven?’

Hij geeft me een flinke duw; ik kan nog net blijven staan. Wat wil hij horen? Dat ik toevallig langs liep? Dat ik het mooi vond hoe hij zwaaide?

‘Ik, eh… liep gewoon langs, ik weet niet… ‘

Ik bereid me voor op een dreun. Het is te hopen dat zijn moeder toekijkt: het kan mijn redding zijn. Terwijl hij me onverminderd dreigend aankijkt, probeer ik voorzichtig door te lopen.

Hij houdt me tegen en begint dan te lachen. Hij slaat me op mijn schouder en weer sta ik te wankelen.

‘Ouwe pik, daar had ik je even!’

Hij lacht nog harder en slaat een arm om me heen.

‘Je had je gezicht moeten zien, man! Alsof ik je ging vermoorden!

Lachend loopt hij weg. Hij zwaait nog een keer naar zijn moeder.

‘Dag mam, rustig aan!’

———
Verschenen in:
Leidsch Dagblad (29-11-2013)